Slecht nieuws is goed nieuws, goed nieuws is slecht nieuws, luidt een typisch journalistiek credo. Het dateert uit de tijd dat nieuws een verbruiksartikel werd, laten we voor het gemak maar zeggen in de loop van de negentiende eeuw. In de Verenigde Staten deed omstreeks 1850 een nieuw fenomeen zijn intrede: het dagblad, in principe toegankelijk voor iedereen. Het verschijnsel was mogelijk dankzij de rotatiepers, uit 1848. Eerder had de New York Sun ooit een oplage gehad van bijna 40.000 exemplaren, maar in 1896 haalden Amerikaanse kranten voor het eerst een oplage van 1 miljoen. Een gedenkwaardig record. De gelegenheid was de verkiezing van president McKinley. Al die belangstelling werd de nieuwe president fataal: in 1901 werd hij vermoord door Leon Czolgosz. De moordenaar leverde een simpele toelichting op zijn daad: Een mens mag niet zoveel aandacht opeisen terwijl anderen nooit aandacht krijgen.

Vanaf het eind van de negentiende eeuw zijn de ‘massajournalistiek’ en het gebruik van geweld, in het bijzonder terroristisch geweld, innig verknoopt geraakt. De ene partij genereert slecht nieuws, de andere partij verspreidt het. Uit een nog allerminst verouderde uiteenzetting over dit verschijnsel, op naam van A.P. Schmid en J.F.A. de Graaf, ontleen ik de formulering van het belangrijkste beginsel van terroristische bewegingen: Het doel was de publieke opinie te bereiken, een boodschap door te geven die alle machtigen deed beven en de machtelozen hoop gaf. Anders dan bij een doelgerichte aanslag op tirannen, dictators of presidenten, is het slachtoffer van een terroristische aanslag niet per se een ‘vijand’ die uit de weg geruimd moet worden. Voor de grote massa van de bevolking zijn woorden en ideeën ontoereikend, communicatie moet plaatsvinden via daden. De partijtheoreticus Paul Brousse sprak van de exemplarische daad: een methode om het volk te laten zien wat ze niet kunnen lezen, om het doel (in casu het socialisme, LB) zichtbaar, tastbaar, concreet te maken. En dus: welkom voer voor de pers. Journalisten en directeuren van journalistieke media hoeven niet noodzakelijkerwijs zélf voorstanders van geweld, rampen, oorlogen en andere narigheid te zijn om er toch met graagte over te publiceren, ze leven ervan.

 


Iraakse politie en Koerdische militie bij Kirkuk

In achtergrondcommentaren bij recente terroristische aanslagen, zoals in Manchester en Kabul, komen deze verbanden ook ter sprake. Met name de toon van verbazing en ontzetting valt me op, alsof dit besef zich bij iedere nieuwe aanslag weer opnieuw een weg moet banen naar het bewustzijn van de betrokken analyticus. Dat is de keiharde waarheid: er is in onze samenlevingen de afgelopen jaren een informatie-infrastructuur ontstaan waarin journalisten en media aangemoedigd en financieel beloond worden om het spelletje van de terroristen te spelen, schrijft Joris Luyendijk in NRC Handelsblad (27 en 28 mei 2017). De afgelopen jaren? Al 150 jaar of langer! Het feit dat de ‘traditionele’ media in onze dagen zijn uitgebreid met sociale media, maakt daarbij geen verschil. Zoals Luyendijk terecht opmerkt: platforms als Twitter verdienen geld aan terreuraanslagen die tot doel hebben ons allen te traumatiseren.

Zou terrorisme ophouden te bestaan als alle media systematisch zouden besluiten om er geen woord meer aan te wijden? Een utopische gedachte. Ook Schmid en de Graaf opperen die stelling: zonder communicatie kan terrorisme niet bestaan. Het klinkt logisch, dwingend bijna. Een bekend voorbeeld van dit verband zou dat van Robespierre en de zijnen vormen. Het Comité de sûreté générale schafte in de periode tussen 1792 en 1794 allerlei vrijheden af en begon een ware oorlog tegen vermeende vijanden van binnen en buiten. Zo’n 40.000 mensen werden op guillotines onthoofd. Toen Robespierre en St. Just vanaf 27 juli 1794 geen spreektijd meer kregen in de Franse Algemene Conventie, stortte hun periode van terreur in, ze konden niet langer over een communicatiemedium beschikken. Toch lijkt me het staatsterrorisme, waar de Franse Terreur onder valt, bij uitstek een verschijnsel met een zwak of zelfs niet bestaand verband tussen terrorisme en communicatie. De misdadige regimes van Stalin, Hitler, Mao Tse Tung met hun onvoorstelbare terreurmaatregelen konden misschien juist gedijen onder condities van geheimzinnigheid, achterklap, roddel en de volkomen afwezigheid van een vrije pers, laat staan sociale media.

 


Na de aanslag: Reyhanli (Turkije) 11 mei 2013

Hoeveel er ook over terrorisme en terreur is geschreven en nagedacht, het is een blijft een nauwelijks te bevatten verschijnsel. Luyendijk schrijft dat de aanslag in Manchester specifiek gericht was tegen kinderen en pubermeisjes, maar hoe weet hij dat zo zeker? De dader heeft geen verklaring nagelaten, maar zelfs als hij dat wél had gedaan: wat voor waarde heeft zoiets? Uit de krant begrijp ik dat bij de recente aanslag in Kabul met tientallen doden en honderden gewonden niemand iets van de achtergronden weet. Verslaggever Floris van Straten schrijft (NRC Handelsblad): Het is onduidelijk of de plegers van de aanslag een bepaald doelwit op het oog hadden of dat ze slechts wilden tonen hoe kwetsbaar zelfs het diplomatieke hart van Kabul is, ondanks alle muren, bewakers en controleposten. Is na zo’n aanslag het hoofdkwartier van IS bezig om de effecten te meten? Luyendijk stelt zich dat plastisch voor: trenden we al op Twitter in Zweden? Hoeveel hashtags in Groot-Brittannië gaan nu over de aanslag? Hebben islamofobe politici in Europa al olie op het vuur gegooid of krijgen we dat nog? Het doet de aanslag het op Facebook? Allemaal reuze geestig, maar zou het echt op die manier gaan? Heeft IS een ‘uiterst professionele’ communicatieafdeling? Ach ja, de vragen stellen, is ze beantwoorden: we weten er nagenoeg niets vanaf. Bij tal van aanslagen kan alleen maar gespeculeerd worden wie de dader is, laat staan dat we weten wat de opzet is, welke doeleinden bereikt zouden moeten worden. Misschien zijn onze veronderstellingen in het algemeen teveel op rationale uitgangspunten gebaseerd.

Net zo min als we weten wat terroristen precies drijft, wat hun specifieke doeleinden zijn, hoe ze hun slachtoffers selecteren en waarom, weten we iets over het effect van hun daden. Tja, ontzetting en angst, daarover horen we veel, maar terreur leidt ook tot copycats: bewondering, behoefte aan navolging. Hoe zwaar telt dat; hoe kun je die verschillende reacties lokaliseren? Uit de literatuur krijg je de indruk dat terreur ooit plaats- en tijdgebonden was, je wist wie de daders waren, wat ze wilden. In onze dagen lijkt terreur bijna geabstraheerd: wie oefent de terreur uit, wie is het doelwit, waarom? Zulke vragen zijn nauwelijks meer ondubbelzinnig te beantwoorden. Open samenlevingen in het Westen zijn daarom ook niet te verdedigen, ondanks alle rethoriek van terreurbestrijding. Om het onzalige verband tussen geweld en communicatie heeft zich een bonte kring van bijkomstige instellingen gevoegd. Terreur is tot in de haarvaten doorgedrongen.

 

illustraties:
Hamasterrorist; bron: nu.nl
Aanslag Reyhanli; bron: foxnews.com
Politie en militie bij Kirkuk; bron: volkskrant.nl