De tocht met de auto duurt lang, vanaf New York City dwars door de Verenigde Staten, richting Arizona, New Mexico, de Mexicaanse grens. Een  gezinnetje, vader, moeder en twee jonge kinderen achterin. Niemand heeft een naam. Het jongetje is een jaar of tien, zijn zusje een paar jaar jonger. Soms slapen ze tijdens de rit, vader zit achter het stuur. Moeder verzint spelletjes tussen het kaartlezen door en bedient de geluidsinstallatie voor muziek of luisterboeken.

The boy with fair hair lowered himself down the last few feet of the rock and began to pick his way toward the lagoon, luidde de eerste zin van zo’n boek en na die zin besloten ze eensgezind dat ze dit wilden horen. Het ging om Lord of the Flies, voorgelezen door de schrijver zelf, William Golding. De moeder denkt: We know it’s no fairy tale, no sugarcoated portrait of childhood, but it’s—at least— fiction. Not a fiction that will separate us and the children from reality, but one that might help us, eventually, explain some of it to them. Ik citeer uit Lost Children Archive van Valeria Luiselli, een road-book (de geschreven tegenhanger van een road-movie) over een speurtocht naar Apacheria, de streek waar de Apachen ooit leefden voordat ze werden uitgeroeid en de tienduizenden kinderen die bij de grens met Mexico zijn aangehouden en opgesloten in afwachting van hun uitzetting. Inderdaad, een rauwe werkelijkheid die net als Goldings boek bepaald geen zoetig sprookje is.

Het meisje wil na verloop van tijd niet langer luisteren. Ze snapt het meeste niet en als ze het wél snapt is het te eng. De jongen vertelt haar dat het boek klassiek is en dat ze goed moet leren luisteren, tenminste … if she wants to understand anything about anything. Als de moeder de band weer aanzet zijn we bij Piggy’s bril die kapotgetrapt wordt. Piggy kan niet zonder, the world, that understandable and lawful world, was slipping away. Daar blijft het niet bij. De Britse kostschooljongens die op een onbewoond eiland zijn aangespoeld, maken er een puinhoop van. Tegen de tijd dat ze worden gered door een officier van de Britse marine is het eiland verwoest en zijn er drie doden gevallen.

Van Lord of the Flies (uit 1954) zijn miljoenen exemplaren verkocht en het boek is in tientallen talen vertaald. Inderdaad ‘klassiek’. Recent heeft Goldings meesterwerk opnieuw de aandacht getrokken door de analyse die de Nederlandse historicus Rutger Bregman erop losgelaten heeft. Hij haalde er onder meer de kolommen van The Guardian  (13 mei 2020) mee. Het verhaal van die jongens op dat eiland is niet echt gebeurd, merkt Bregman scherpzinnig op, het komt uit de dikke duim van Golding en de schrijver heeft laten zien hoe het allerslechtste in de mens naar boven komt in de gegeven omstandigheden. Of course, he had the zeitgeist of the 1960s on his side, when a new generation was questioning its parents about the atrocities of the second world war. Had Auschwitz been an anomaly, they wanted to know, or is there a Nazi hiding in each of us? Op basis van de nieuwste wetenschappelijke inzichten, betoogt Bregman, moet je vaststellen dat kinderen zich in werkelijkheid heel anders zouden gedragen. Het empirisch bewijs ontbrak nog, maar dat heeft hij inmiddels gevonden: in 1966 leden zes jongens uit Tonga schipbreuk en kwamen terecht op een verlaten eiland waar ze pas na een jaar werden gered door de kapitein van een vissersboot. Het bleek dat de jongens zich ‘voorbeeldig’ hadden gedragen met duidelijke onderlinge afspraken en  democratische besluitvorming.

 


Bregman, scherpzinnig

Payal Arora heeft in NRC (13, 14 juni 2020) deze Bregmania onderuit geschoffeld. De tragiek van de reconstructie is, zegt ze, dat onze historicus geen oog heeft voor de koloniale en raciale context van de gebeurtenissen. De kapitein die de jongens redde is nota bene de held van Bregmans verhaal (de ‘hoofdpersoon’), waarop Arora verzucht… altijd maar weer die witte redders. Met de beste wil van de wereld kun je volgens haar de ervaringen van de jongens en hun edelmoedige redder niet beschouwen als bewijs voor de algemene en aangeboren goedheid van de mensheid, zoals Bregman ons wil doen geloven. Eerder integendeel.

 


Arora, pseudopsychologische onzin

De vraag of de mensheid in aanleg goed of slecht is, lijkt me inderdaad geen kwestie voor de wetenschap, maar voor dominees, zwetsers en andere moraalridders. Wat is ‘goed’? Wat is ‘slecht’? Hoe weet je dat? Hoe meet je dat? We hebben… geen behoefte aan pseudopsychologische profilering van onze latente menselijke vermogens, zegt Arora, en al helemaal niet uit de koker van een historicus. Hoe goed of slecht we van binnen ook mogen zijn, onze ‘aanleg’ wordt gevormd en geslepen door de sociale omgeving waarin we functioneren. Het schavende en beschavende werk van de cultuur.

Barrington Moore heeft ooit een ‘levensecht experiment’ uitgevoerd door een aantal groepen te vergelijken die sterk overeenkomstige kenmerken  hadden, maar zich op uiteenlopende plekken van de wereld bevonden (zie zijn Privacy). De overeenkomsten betreffen de harde omstandigheden waaronder de groepen zich staande moesten zien te houden: op ijs-  en sneeuwvlakten, in de woestijn, het oerwoud. De afwezigheid van technische hulpmiddelen. De geringe omvang van de groepen. Vroeger werden zulke groepen ‘primitief’ genoemd, dat mag tegenwoordig niet meer. De Utku-eskimo’s werden gekenmerkt door een individualistische economie in een potentieel uiterst gevaarlijke omgeving; een stselsel van onderlinge hulpverlening; een omgangscode van beleefdheid en sociale harmonie, met sterke nadruk op het onderdrukken van agressie; een sterke neiging tot privacy. De etnograaf waarop Moore zich baseerde was Jean Briggs en haar boek had de veelzeggende titel Never In Anger. Ze laat zien hoe ze haar eigen boosheid en frustratie maar moeilijk kon beheersen met als gevolg dat haar gastheren begonnen haar te mijden.

Daartegenover staan de Siriono-indianen uit het Amazonegebied; eveneens een keiharde omgeving, en minstens zo levensgevaarlijk. Hier heerst een algemene sfeer van wantrouwen waardoor zelfs de meest elementaire vormen van samenwerking nauwelijks te realiseren zijn. De Siriono houden er niet van om voedsel te delen: veel voedsel wordt daarom ‘s nachts gegeten, zonder pottenkijkers. De etnograaf  (Alan Holmberg) was getroffen door de totale onverschilligheid voor elkaars lot, ook al gaat het om familieleden. Hij vertelt het verhaal van een kreupele man die na een jachtpartij de weg was kwijtgeraakt naar het kamp. Het was een stikdonkere nacht. De man begon om hulp te schreeuwen: iemand moest hem vuur komen brengen of hem terug loodsen door te roepen, maar niemand besteedde enige aandacht aan zijn geschreeuw. Na een half uur hield viel de man stil. Zijn zuster haalde haar schouders op en verkondigde dat hij vermoedelijk verscheurd was door een jaguar. Toen de man de volgende ochtend verscheen, vertelde hij de etnograaf dat hij de nacht had doorgebracht in een boom uit angst voor roofdieren. Zijn zuster schold hem de huid vol dat hij van zijn jachtpartij niets te eten had meegenomen.

De Mbuti leven in het oerwoud direct ten zuiden van de Sahara. Oppervlakkig gezien lijkt hun manier van leven sprekend op dat van de Siriono: kleine, nomadische eenheden, afhankelijk van de jacht. Maar hier geen onderling wantrouwen, juist innige vormen van samenwerking: de mannen hanteren netten om het wild in op te vangen, de vrouwen jagen het wild op. Iedereen is van elkaar afhankelijk. The net hunt imposes a cooperative life-pattern on the Mbuti, zegt Moore. Conflicten, over de voedselverdeling bij voorbeeld, kunnen worden onderdrukt doordat de Mbuti frequent van plek veranderen en steeds in andere samenstellingen wonen en jagen. De Jivaro-indianen daarentegen, kennen geen enkele vorm van samenwerking buiten de enge familiekring, maar door het bilaterale systeem van verwantschap weet niemand precies wat de grenzen van de familiegroep zijn. Sterke mannen bezitten een sterke ziel en wie zo’n man doodmaakt, neemt de ziel over: op jachtpartijen worden zulke sterke mannen bij voorkeur met pijlen en speren geniepig in de rug geschoten. Only by adroit manipulation of the available categories (of kinship, LB) can a visitor avoid having his beer poisoned or being ambushed on leaving the house.

Moore drukt precies uit waar het om gaat: of iemand slecht is of goed is van geen enkele betekenis in het licht van hoe hij zich gedraagt. En hij laat zien dat er ook in kleine, geïsoleerde groepjes zeer uiteenlopende oplossingen gevonden worden voor de samenleving. Ook als de schipbreukelingen uit Tonga elkaar met huid en haar hadden opgevreten, zegt dat nog niets over de menselijke aard.

 

illustraties
Rutger Bregman; bron: fondsenwerving.nl en theguardian.com
Payal Arora, bron: nextconf.en