Ik las over John Coetzee, beter bekend als de succesvolle schrijver J.M. Coetzee, in de wekelijkse rubriek van Tommy Wieringa (NRC 9, 10 maart 2019). Hij zou in het verhaal De oude vrouw en de katten, binnenkort in het Nederlands te verschijnen, een voorstel hebben gedaan om de mensheid direct te confronteren met wat er gebeurt in de slachthuizen. De achterliggende gedachte is uiteraard: als mensen kunnen zien wat er écht plaatsvindt in die oorden van dood en verderf, dan houden ze vanzelf wel op met het eten van vlees. Want als je alleen maar afgaat op het jargon dat vertegenwoordigers van de vleesindustrie gebruiken, word je danig misleid. Wieringa geeft wat voorbeelden. Nogal cynisch, inderdaad. Ongerief staat voor angst, pijn en verwondingen, liggend vee voor dieren die zó zijn aangetast dat ze niet meer overeind kunnen komen, lichamelijke ingrepen voor amputatie van staarten, snavels en hoorns.

De confrontatie die Coetzee voorstaat is het glazen abattoir. Dat moet fungeren als demonstratie, schrijft Coetzee (ik ga af op de weergave van Wieringa). Wat gebeurt er in een abattoir, daar gaat het om. Ik bedacht dat mensen alleen maar tolereren dat er dieren worden geslacht omdat ze er niets van te zien krijgen. Ik bedacht dat als er een abattoir zou zijn dat midden in de stad zou opereren, waar iedereen zou kunnen zien en ruiken en horen wat daarbinnen gebeurt, mensen zich misschien anders zouden gaan gedragen. Een glazen abattoir. Een abattoir met glazen wanden.

Een mooie gedachte, zeker, maar praktisch onuitvoerbaar. Zelfs als er zoiets ooit gerealiseerd werd: in welke stad dan? En waar? De Dam in Amsterdam? De Grote Markt in Brussel? Trafalgar Square in Londen? Moeten er ook niet zulke demonstraties buiten de stad worden gehouden, in de buurt van de bron, als het ware? Enfin. En de grote vraag is uiteraard: zou het echt helpen? Zullen mensen subiet ophouden met vlees eten als ze het slachtproces kunnen zien? Ik ben wat terughoudend gestemd over de mogelijkheden om diepingesleten menselijk gedrag met een enkele demonstratie te veranderen. Voor vegetariërs misschien jammer, maar in het algemeen, zou ik zeggen, godzijdank.

Er is al vaak geprobeerd mensen met de neus op de feiten te drukken. Ik denk altijd maar aan The Jungle, het boek van Upton Sinclair dat de wereld meer dan honderd jaar geleden schokte toen het in 1906 verscheen. De schrijver had intensief ‘veldwerk’ gedaan in de gigantische vleesverwerkende industrie die eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw ontwikkeld werd in Chicago. Hij schreef zijn verslag in de vorm van een roman, waarin een paar recente immigranten uit Litouwen figureren: arme pachters en keuterboertjes uit de achterlijkste streken die de grote stap naar het land van melk en honing wagen en terechtkomen bij de slachterijen waar de bazen schreeuwen om personeel.

 


De chirurg van de slachterijen

Ona is nog geen zestien als ze trouwt met Jurgis, voor beiden was dit een verlokkend perspectief geweest toen ze uit Litouwen vertrokken–in hun eigen dorp zou het nog vele jaren hebben geduurd voordat ze in het huwelijk hadden kunnen treden. De trouwerij, op basis van geleend geld, vindt snel na aankomst in Chicago plaats. Een kaal zaaltje in een achterbuurt. Familieleden en een paar vrienden van de familie als gasten. Ona was blue-eyed and fair, while Jurgis had great black eyes with beetling brows, and thick black hair that curled in waves about his ears—in short, they were one of those incongruous and impossible married couples with which Mother Nature so often wills to confound all prophets, before and after. Jurgis could take up a two-hundred-and-fifty-pound quarter of beef and carry it into a car without a stagger, or even a thought; and now he stood in a far corner, frightened as a hunted animal, and obliged to moisten his lips with his tongue each time before he could answer the congratulations of his friends.

Er is zelfs een groepje muzikanten uitgenodigd om het feest luister bij te zetten. Sinclair’s beschrijving laat zien dat hij precies weet waar hij over schrijft, hij heeft overal met zijn neus bovenop gezeten.

The musicians—how shall one begin to describe them? All this time they have been there, playing in a mad frenzy—all of this scene must be read, or said, or sung, to music. It is the music which makes it what it is; it is the music which changes the place from the rear room of a saloon in back of the yards to a fairy place, a wonderland, a little corner of the high mansions of the sky.

The little person who leads this trio is an inspired man. His fiddle is out of tune, and there is no rosin on his bow, but still he is an inspired man—the hands of the muses have been laid upon him. He plays like one possessed by a demon, by a whole horde of demons. You can feel them in the air round about him, capering frenetically; with their invisible feet they set the pace, and the hair of the leader of the orchestra rises on end, and his eyeballs start from their sockets, as he toils to keep up with them.

Sinclair heeft met zijn boek een monument opgericht voor de recente Oost-Europese migranten die in zijn dagen met ontelbare duizenden naar de Nieuwe Wereld trokken en daar als goedkope wegwerparbeiders in de smerigste sectoren van de economie terechtkwamen. Het verhaal van Ona en Jurgis loopt slecht af, dat ligt voor de hand. De beschrijvingen van de slachthuizen en vleesconservenfabrieken zijn huiveringwekkend, niet in de laatste plaats door de nadruk op de onvoorstelbare stank en viezigheid, maar ook op de afgrijselijke behandeling van de slachtdieren: varkens, koeien, schapen.

 


In gelid

There were two hundred and fifty miles of track within the yards, their guide went on to tell them. They brought about ten thousand head of cattle every day, and as many hogs, and half as many sheep—which meant some eight or ten million live creatures turned into food every year. One stood and watched, and little by little caught the drift of the tide, as it set in the direction of the packing houses. There were groups of cattle being driven to the chutes, which were roadways about fifteen feet wide, raised high above the pens. In these chutes the stream of animals was continuous; it was quite uncanny to watch them, pressing on to their fate, all unsuspicious a very river of death….

Zieke, kreupele en dode dieren worden zonder onderscheid tot worst vermalen, de enige ‘gezondheidsinspecteurs’ die opletten zijn rabbi’s die controleren of er wel volgens hun geloofsartikelen geslacht wordt. De slachtplekken zijn grondig vervuild, de slachters lopen de gruwelijkste infectiewonden op, de lonen zijn laag, ziektekosten worden niet vergoed, wie thuisblijft krijgt niets betaald en raakt zijn plek kwijt. The Jungle was de enige Amerikaanse literatuur die de toenmalige Sovjet-Unie binnenkwam, niet vanwege de behandeling van de dieren, maar vanwege Sinclair’s typering van het ‘verdorven kapitalisme’.

In die zin was The Jungle zijn tijd vooruit, inderdaad een glazen abattoir. In de Verenigde Staten zelf was het boek aanleiding voor hervormingen; het produktieproces zou scherper gecontroleerd worden op deugdelijk vlees—de vleesconsumptie als zodanig heeft er geen millimeter onder geleden.

 

 

illustraties
J.M. Coetzee; bron: thenation.com
Upton Sinclair; bron: www.history.com
Varkensslachterij; bron: foodmanufacture.co.uk