Mark Twain’s Adventures of Huckleberry Finn geldt tegenwoordig vrijwel algemeen als een jongensboek, vol dolle gebeurtenissen. Soms spannend, altijd om te lachen. Het lot van meer ‘klassieke’ meesterwerken, ook Moby-Dick bij voorbeeld: door allerlei adaptaties afgesleten tot een kinderboek dat je aan de kleintjes kunt voorlezen voor het slapengaan. Het gaat om bewerkingen, veelal in stripvorm, waarbij de problematiek van iedere scherpte en dramatische diepte is ontdaan. Een tijdje geleden heb ik op deze plaats het verontrustende karakter van Huck’s avonturen onderstreept: de achtervolgingen met jankende bloedhonden, hekserij, moord en doodslag, bedrog, corruptie. Een rode draad is uiteraard de relatie tussen Huck en ‘nigger’ Jim, de ontvluchte slaaf. De Amerikaanse burgeroorlog tussen de Zuidelijke Confederatie van slavenstaten en de Noordelijke ‘yankees’ is halverwege de jaren 1860 beslecht, we kunnen ons nauwelijks nog voorstellen wat de alledaagse betekenis van slavernij geweest is. Hoe leg je dat uit aan kleine kinderen?

 

 

Huck beseft maar al te goed dat hij zich in de nesten begeeft als hij Jim meeneemt op zijn tocht over de magistrale Mississippi, almaar dieper naar het Zuiden, almaar dichter bij het hart van de katoenplantages. Mark Twain heeft notities gemaakt over dit centrale dramatische thema in zijn boek. Hij wist waarover hij schreef, hij groeide op in een gezin dat er huisslaven op nahield. Het gaat om de botsing tussen het ‘(morele) geweten’ en een ‘goed hart’, noteert hij. In die dagen van de slavenhouderij was de hele gemeenschap het in ieder geval over één ding hartgrondig eens—de ontzagwekkende heiligheid van het slavenbezit. Het was een lage misdaad om te helpen bij het stelen van een koe of een paard, maar het was een nog veel gemenere misdaad om een slaaf te beschermen op wie gejaagd werd, of om hem te bevrijden of onderdak te verlenen, of hem hulp te verlenen bij zijn problemen, angsten, wanhoop of om hem niet meteen aan te geven bij de slavenjager als de gelegenheid zich zou voordoen. Zoiets was een morele smet op iemands reputatie die nooit ongedaan gemaakt kon worden.

 

 

Ook Huck’s geweten knaagt onmiddellijk als hij Jim ontmoet op een eiland in de rivier en hoort wat er gebeurd is. Waarom ben je hier, Jim, hoe ben je hier verzeild geraakt? Jim keek ongemakkelijk en zweeg meer dan een minuut voordat hij antwoordde: Dat kan ik misschien maar beter niet zeggen. Waarom? Nou, daarom, maar je gaat me niet verraden als ik het je vertel, toch, Huck? Nee, je kunt op me rekenen. Ja, ik geloof je Huck. Ik, ik… ben weggelopen. Maar onthou dat je zei dat je het niet zou verklappen—je weet toch nog dat je zei dat je niets zou zeggen, Huck. Huck verzekert Jim dat hij niets zal zeggen, maar hij begrijpt wat het betekent: Mensen zullen me een vuile Abolitionist noemen en me verachten omdat ik niks heb gezegd.

 

 

Als beide ‘vluchtelingen’ al een tijdje onderweg zijn, speelt Huck’s geweten opnieuw op. Jim mijmert dat hij in een ‘vrije staat’ terecht zal komen (zijn hoop is gevestigd op Illinois) en geld zal kunnen sparen om zijn vrouw terug te kopen en dat ze dan gezamenlijk gaan werken om het geld bijeen te krijgen voor het terugkopen van hun twee kinderen. En als de eigenaar de kinderen niet wil verkopen dat ze dan een Abolitionist in de arm nemen om de kinderen te stelen. Huck krimpt ineen: It most froze me to hear such talk. Je kent het spreekwoord: geef een nikker een vinger en hij wil de hele hand! Here was this nigger which I had as good as helped to run away, coming right out flat-footed and saying he would steal his children—children that belonged to a man I didn’t even know, a man that hadn’t done me no harm. Huck overweegt later een briefje te sturen aan de rechtmatige eigenares van Jim om haar te vertellen waar Jim is, maar na lang nadenken besluit hij het niet te doen. He would always call me honey and pet me, and do everything he could think of for me… and how good he always was… and that he said I was the best friend old Jim ever had in the world, and the only one he’s got now. Huck verscheurt het briefje en spreekt de onvergetelijke zin: All right, then, I’ll go to hell. Een van de beroemdste regels uit de Amerikaanse literatuur.

 

 

De Amerikaanse burgeroorlog heeft starre stereotypen opgeleverd, maar in de praktijk was bepaald niet altijd duidelijk wat het abolitionisme precies was en waar het voor stond, ook Huck en Jim slaan er een slag naar. De slavernij is lange tijd algemeen geweest in de Nieuwe Wereld en niet beperkt tot de plantagestaten in het diepe Zuiden; ook in New England heerste het stelsel: vanuit het noordoosten werden noodzakelijke goederen en voorraden vervoerd naar de ‘suikereilanden’ in het Caribische gebied. Nauw verbonden met slavenarbeid. Naar schatting bestond in het Noorden rond het midden van de achttiende eeuw zo’n tien tot twintig procent van de bevolking uit slaven. Maar de antislavernijbeweging, die overigens een sterk wisselend succes had, maakte mede mogelijk dat vanaf omstreeks 1780 de slavernij in alle staten van New England werd afgeschaft. Het stelsel gold voortaan als ‘typerend’ voor het diepe Zuiden, een fraai staaltje geschiedvervalsing.

 

 

Onder de abolitionisten had je verschillende stromingen, het aantal abolitionistische organisaties liep in de vele tientallen, zoniet honderden. Eén hoofdrichting was gericht op de bevrijding van slaven en de integratie van ex-slaven in de Amerikaanse samenleving, de andere tak was die van de kolonisering. De bevrijding van slaven had volgens deze gedachte vooral tot doel om ex-slaven massaal terug te voeren naar Afrika. In 1821 werd de roemruchte expeditie uitgezonden om dat plan te realiseren: de stichting van Liberia met als hoofdstad Monrovia, genoemd naar president James Monroe, een belangrijke geldschieter achter het project. Naar schatting zijn er overigens niet meer dan enkele tienduizenden voormalige slaven naar Afrika of naar een van de Caribische eilanden verscheept.

Met idealisme of menslievendheid had dit streven maar zijdelings, of helemaal niet, te maken. De kosten waren te hoog, er waren bovendien geen schepen genoeg, ondanks het feit dat ‘verlichte’ geesten als Abraham Lincoln, Thomas Jefferson niets liever wilden dan een ‘blank’ Amerika. Lincoln meende dat de aanwezigheid van vrije zwarten de gevestigde bevolking een doorn in het oog zou zijn, Jefferson was ervan overtuigd dat zwarten een onaangename geur verspreidden en daarom van de blanke bewoners van het beloofde land gescheiden dienden te worden. Tegenover de hypocrisie en het harde racisme van de Founding Fathers steekt de menselijkheid van de simpele Huckleberry Finn scherp af. Een jongen met een gouden hart.

 

illustraties
Huckleberry Finn; bron: mentalfloss.com
Huckleberry Finn en Jim; bron: cvidaurre-societalexpectation
Mark Twain; bron: biography.com
Abraham Lincoln; bron: whitehouse.gov
slavenschip; bron: slavernijenjij.nl
geketende voeten; bron: www.bladna.nl