Op de meisjes March is niets aan te merken. Seksloze, brave zielen met een hart van goud die hun moeder vereren, hun vader verafgoden, lief zijn voor verder iedereen in hun omgeving. Voorbeeldig. Als ze ’s ochtends op pad gaan, kijken ze altijd even terug: daar staat moeder voor het raam om ze toe te knikken en uit te zwaaien. Op de een of andere manier leek het alsof ze de dag anders niet zouden doorkomen, want in welke stemming ze ook waren, die laatste blik op het gezicht van moeder verwarmde hen als een zonnestraal. Meg, Jo, Beth en Amy zijn de vier dochters van het echtpaar March. Vader is afwezig, hij is geestelijke verzorger in het leger van de Yankees, verwikkeld in een burgeroorlog tegen de Confederatie van Zuidelijke Staten, begin jaren 1860. Moeder March loodst haar gezin opgewekt door de moeilijke tijden heen en heeft, ondanks gebrek aan van alles, ook nog de energie om zich te storten op liefdadigheidsactiviteiten onder verpauperde Duitse immigranten. Het leven van de Marches speelt zich af in Concord, Massachusetts.

In het kort de inhoud van Little Women, de succesroman van Louisa May Alcott uit 1868, enkele jaren na afloop van de Amerikaanse Burgeroorlog. Het boek is losjes gebaseerd op Alcott’s eigen leven—de tweede dochter Jo is in een aantal opzichten te beschouwen als een zelfportret. Een boek over jonge meisjes voor jonge meisjes. Good good girls, geen greintje kwaad, geen smetje, geen spoor van seksualiteit. In die zin misschien wel een van de archetypen uit de Amerikaanse—of in het algemeen Angelsaksische—literatuur. De meisjes March zijn gemodelleerd naar Little Eva uit Uncle Tom’s Cabin van Harriet Beecher Stowe, die op haar beurt een afgietsel is van Little Nell uit The Old Curiosity Shop van Dickens, die misschien weer terug te voeren is op Shakespeare’s Cordelia uit King Lear. Leslie Fiedler heeft zulke personages ooit omschreven als de a-seksuele godinnen van kinderkamer, weeshuis of plantage, altijd in het wit gekleed en liefst stervend, in de armen van een vertrouwde slaaf, een vader of grootvader, voordat ze als volwassen vrouw de rol van echtgenote, moeder of weduwe op zich zouden moeten nemen. Beth March, de derde dochter, voldoet ten volle aan dit ideaal. Ze sterft jong, zoals het hoort, in de armen van haar zusters.

In het behaagzieke zelfbeeld van de schrijfster ligt de nadruk op de zucht naar onafhankelijkheid en creativiteit. Overdreven gezegd: Jo is de tomboy van het gezin, soms driftig, af en toe opstandig. Een robbedoes. Ze voelt de knellende banden van de maatschappelijke conventies en manifesteert al jong dat ze zich niet wenst te conformeren aan de tradities van huwelijk, huishouding of opvoeding. In die zin heeft ze trekken van andere helden uit de klassieke Amerikaanse romanliteratuur, bij voorbeeld de ongeveer even oude Huckleberry Finn. Opmerkelijk. Een tijdje geleden heb ik op deze plaats gememoreerd dat Alcott er als de kippen bij was om Twain’s meesterwerk in de strengste bewoordingen af te keuren en er mede voor te zorgen dat het boek verboden werd in de openbare bibliotheek van haar woonplaats: Concord. Jazeker, Concord, de plek waar ook Nathaniel Hawthorne, Ralph Waldo Emerson en H. D. Thoraux aan verbonden waren, vrienden van Alcott’s ouders en tijdens korte perioden zelfs haar privé-onderwijzers. Adventures of Huckleberry Finn werd door de bibliotheekcommissie verdoemd vanwege de schunnige taal, het boek zou geschikter zijn voor de achterbuurt dan voor intelligente, beschaafde mensen. Alcott deed er persoonlijk nog een schepje bovenop, ze schreef de vaak geciteerde zin: If Mr. Clemens [Mark Twain’s eigen naam, lb] cannot think of something better to tell our pure-minded lads and lasses he had best stop writing for them. De grove taal die Jo March uitslaat, is inderdaad van een andere orde. Als op een ochtend Meg en Jo als gebruikelijk hun moeder hebben toegezwaaid, zegt Jo: als Mama haar vuist schudde in plaats van ons een kushandje te geven, zou het ons welverdiende loon zijn… for more ungrateful wretches than we are were never seen. Meg reageert: Don’t use such dreadful expressions. Jo: I like good strong words that mean something. Meg: Call yourself any names you like, but I am neither a rascal nor a wretch and I don’t choose to be called so. Jo mag een robbedoes zijn en good strong words gebruiken, maar de tegenstelling met Huck is inderdaad onoverbrugbaar. Boeken als Huckleberry Finn, Moby-Dick, The Last of the Mohicans en andere Great American Novels uit de 19e eeuw vertegenwoordigen de Amerikaanse buitenwereld, de woeste natuurkrachten en de pionier die zich daartegen staande probeert te houden. Hun taal is rauw, laag bij de grond, direct. Little Women staat voor de binnenwereld, overlopend van zachte gevoelens en sentimenten, zoetelijkheid en vrouwelijke waarden.

 

 

Een goede vriendin was bezig met Alcott en Little Women, wist ik, en toen omstreeks de kerstdagen de film werd uitgezonden op de BBC, nam ik hem voor haar op. We hebben hem samen bekeken. Het boek is al vaak verfilmd, dit was de laatste versie uit 1994, onder regie van Gillian Armstrong met een keur aan jonge acteurs: Winona Ryder, Kirsten Dunst, Eric Stolz, Claire Danes en een paar oudere sterren: Susan Sarandon en Gabriel Byrne. In het boek wordt het verhaal verteld door een alleswetende verteller op de achtergrond, in de film ligt de nadruk op Jo; zij is duidelijk de hoofdpersoon en is ook de verteller. Ondanks alle weeïgheid maakt dat de film verteerbaar, althans voor mij. Wat je ziet is de worsteling van een jonge vrouw om zich in een vrouwvijandige omgeving te redden. Jo droomt ervan schrijver te worden en in de film krijgt die droom alle ruimte: je ziet haar ’s nachts bij een kaarsje zitten schrijven, ze weet dat je voor 5 dollar een verhaal aan de krant kunt verkopen (‘en ik heb wel tien verhalen in mijn hoofd’). Ik wil iets anders in het leven dan Mama, al weet ik nog niet wat. Als ze als jonge vrouw naar New York trekt, probeert ze haar werk aan uitgevers en redacties te slijten en langzaam maar zeker vindt ze haar weg. Uiteindelijk wordt het manuscript van Little Women geaccepteerd door een gerenommeerd uitgever, een schrijversloopbaan ligt open; het is de climax van de film.

 

 

Een realistisch verhaal, want de mogelijkheden voor vrouwen uit de ‘hogere kringen’ om in de 19e eeuw hun zelfstandigheid te realiseren, waren uiterst beperkt. Gouvernante, gezelschapsdame (ook daarvan zie je in Little Women fraaie voorbeelden), schooljuffrouw en schrijfster, dat was het wel zo’n beetje. Op allerlei manieren werden ze tegengewerkt (als Jo haar werk komt aanbieden bij een tijdschrift, wordt ze weggestuurd: probeert u een damesblad, juffrouw; ze publiceert aanvankelijk als Joseph in plaats van Josephine March), maar er waren wel degelijk stimulerende voorbeelden. Vrouwen waren betrekkelijk vrij in hun onderwerpen: traktaten, schetsen, korte verhalen, gedichten, romans en zelfs polemische essays. Geslaagde (Amerikaanse) voorbeelden waren Lydia Maria Child en vooral Harriet Beecher Stowe, maar het succes was allerminst tot die twee beperkt. Vrouwelijke schrijvers waren populair en schreven geheide bestsellers. Herman Melville, Thoraux, Emerson, Hawthorne en andere ‘reuzen’ van de Amerikaanse literatuur konden met hun oplagen in de verste verte niet tippen aan de aantallen boeken van vrouwen die werden verkocht. Beecher Stowe verdiende kapitalen met haar Uncle Tom’s Cabin, hield er een reusachtig herenhuis aan de Oostkust aan over en een uitgestrekte sinaasappelplantage in Florida. Jo March sprak dan wel nauwelijks een onvertogen woord, maar moet desondanks een ‘rolmodel’ zijn geweest voor talloze jonge meisjes.

 

illustraties
De dochters March in bed; bron: btchflicks.com
Louisa May Alcott; bron: Providence Public Library
Jo March (Winona Ryder) arriveert in New York; bron: channelawesome