Civic pride is bijna niet te vertalen, de trots en tevredenheid om inwoner te zijn van een bepaalde stad. In een land als Nederland zijn steden gelijkgeschakeld, voor iedere ‘gemeente’ gelden dezelfde regels, rechten en plichten, Amsterdam en Tietsjerkeradeel worden op dezelfde manier bestuurd. De burgemeester wordt van bovenaf geparachuteerd. Dorpen en steden lopen aan de leiband en hebben een piepkleine speelruimte om belastinggelden naar eigen inzichten aan te wenden. Het Amerikaanse model, met een gekozen burgemeester, laat veel meer locale vrijheden toe—de regionale overheden hebben zich niet te bemoeien met afzonderlijke gemeenschappen, laat staan de federale overheid. Civic pride betreft dan ook typisch ontwikkelingen en verworvenheden die ‘van onderop’ tot stand zijn gekomen. Die locale trots werkt als een aanjager voor verdere ontwikkeling en verandering. Chicago is een schoolvoorbeeld—de stad bestaat nog niet zo lang, maar werd vanaf het prille begin gedreven door de zucht om de grootste en belangrijkste stad van de Verenigde Staten te worden; zelfs toen de stad omstreeks 1870 in de as werd gelegd waren de bewoners, die de grote brand overleefd hadden, stellig in hun overtuiging dat hun stad iets bijzonders had gepresteerd: onze brand was de grootste uit de geschiedenis. Civic pride ontaardt gemakkelijk in boosterism. Toen Lincoln Steffens omstreeks 1900 onderzocht welke Amerikaanse stad gekenmerkt werd door de grootste corruptie, kreeg hij uit alle delen van het land uitnodigingen om langs te komen: ‘bij ons is het nog véél corrupter!’

De Universiteit van Chicago werd door plaatselijke baronnen als Rockefeller en Marshall Fields opgericht en kon beschikken over een vrijwel ongelimiteerd budget. De nieuw benoemde rector reisde af naar Europa en kocht zoveel boeken en geschriften, dat de universiteitsbibliotheek in één keer de belangrijkste van de wereld was. De beste onderzoekers en docenten werden van elders gehaald; mochten ze aarzelen dan hielp het aanbod van dubbele salarissen ze wel over de streep. In de eerste jaren van haar bestaan regende het Nobelprijzen aan de jonge universiteit. De stad groeide als kool—uit de hele wereld stroomden volksverhuizers toe en Chicago was niet alleen een van de grootste joodse steden van de wereld, maar ook een van de grootste Poolse, Zweedse, Italiaanse en zwarte steden. Het zou niet lang duren, daar was iedereen van overtuigd, of het arrogante New York zou in alle opzichten worden gepasseerd—anything you can do we can do… better.

Dit alles is noodzakelijke grondstof voor het verschijnsel van de stedelijke rivaliteit. In Engeland tussen Londen en Manchester, tussen Manchester en Liverpool, in Schotland tussen Glasgow en Edinburgh; in India, om nog een ander uitheems voorbeeld te noemen, tussen Mumbai en Delhi—de inwoners van Mumbai zijn ervan overtuigd dat zij het geld verdienen dat in Delhi wordt opgesoupeerd; wat trouwens grotendeels klopt. Zulke rivaliteit betreft vaak culturele aangelegenheden (Calcutta staat zich erop voor de stad van intellectuelen en schrijvers te zijn, waar Nobelprijswinnaars als Rabindranath Tagore en Amartya Sen de trotse symbolen van zijn), maar doorgaans liggen er ook harde economische belangen aan ten grondslag: werkgelegenheid, belastingmaatregelen, politiek favoritisme. Paris mange tout, hoor je in Frankrijk zeggen; lange tijd was het gemakkelijker om van Toulouse, Bordeaux, Marseille, Rodez of Avignon naar Parijs te reizen dan naar een van die steden onderling, de hele Franse infrastructuur was volledig op Parijs afgesteld. Tot op zekere hoogte nog steeds. Dat hangt samen met het stedelijke netwerk: Wenen, Parijs en Londen zijn ‘stersteden’, echte metropolissen. Volgens allerlei criteria hebben zulke steden een enorme afstand tot de rest, niet in de laatste plaats wat bevolkingsomvang betreft. Het Amerikaanse stedennetwerk is een stuk gelijkmatiger: New York City torent bepaald niet met kop en schouders boven alle andere steden uit, maar bevindt zich in tal van opzichten op ongeveer gelijke hoogte met Los Angeles, Miami, Chicago, Boston, Washington DC. Misschien is stedelijke rivaliteit sterker in een egalitair netwerk dan in een hiërarchisch netwerk, maar ik weet niet of er ooit serieus onderzoek naar dat soort verschijnselen is gedaan. Het is toch meer folklore dan realiteit, zou je denken.

In Nederland wordt hier en daar nogal hoog opgegeven van de rivaliteit tussen Amsterdam en Rotterdam. Het is een afgezaagd onderwerp dat af en toe weer eens van stal wordt gehaald, zoals vorig weekend toen NRC Handelsblad (23 oktober 2015) er een heel katern aan wijdde: Die eeuwige strijd met Rotterdam. De onderlinge haat, aldus de redactie, bestaat letterlijk al eeuwen. Ik heb in het hele katern vergeefs gezocht naar een overtuigende toelichting op die stelling. We hebben het allemaal al eens eerder gehoord, ik vrees dat we het thema moeten beschouwen als de zoveelste futiele poging van de hoofdredactie om haar armoedige Amsterdamsbijlage op te krikken tot grachtengordelpeil.

 

 

Rotterdammers zouden Amsterdam haten—als het al zo zou zijn, staan ze daarin geenszins alleen. Veel opvallender is dat heel Nederland de schurft heeft aan Amsterdam. Vermoedelijk omdat Amsterdam geldt als de stad bij uitstek met een zweem van grootstedelijkheid, een kosmopolitisch eilandje in een bekrompen, provincialistische zee. Nederland heeft een opmerkelijke geschiedenis van door het geloof geïnspireerde anti-stedelijkheid— stedelijkheid zou leiden tot geloofsafval, maar ook seksuele losbandigheid bevorderen. Op overeenkomstige manier wordt Parijs gehaat in Frankrijk (Parichiens werden Parijzenaars genoemd in Aveyron, waar ik lang geleden onderzoek deed onder boeren en andere plattelanders), Wenen in Oostenrijk, Berlijn in Duitsland, Londen in Groot-Brittannië. Stedelingen lijken blasé, op het arrogante af, ze hebben geen zin en geen tijd om buren en onbekenden aan te spreken of op straat te groeten—het zijn er zoveel, je kunt wel aan de gang blijven.

Maar of het waar is valt te bezien, ik denk dat de afkeer van de grote stad op z’n minst gemengd zal zijn met ontzag en een zekere afgunst–vrijwel alles wat het leven de moeite waard maakt, muziek, toneel, film, kunst, vermaak, interessant volk, is in Amsterdam immers in ruime mate voorhanden, om de hoek. Ook dat speelt mee. Amsterdam is iets omvangrijker dan Rotterdam, maar heeft haar grote voorsprong op de rest van de Nederlandse steden die nog tot diep in de 19e eeuw bestond, geleidelijk aan verloren. Toch wonen er in de twee steden (met respectievelijk zo’n 800.000 inwoners en 600.000 inwoners) samen niet meer dan 10% van alle Nederlandse ingezetenen. Als je alles bij elkaar neemt, blijft er niet veel meer over dan de ‘eeuwige rivaliteit’ tussen de voetbalclubs Ajax en Feyenoord. Was het katern van NRC Handelsblad bedoeld als voorbeschouwing bij de bekerwedstrijd tussen beide clubs, afgelopen week? De ‘klassieker’.

 

 

Ach, het is inmiddels al omstandig in de kranten behandeld: toen de clubs in de jaren zeventig tot de beste clubs van de wereld behoorden, stelde het voetbal nog iets voor, maar daar is allang niets meer van over. Opmerkelijk dat de verloedering van het voetbal gelijk is opgegaan met de mythologisering. Niemand gebruikte in ‘mijn tijd’ ooit de term klassieker voor Ajax-Feyenoord, inmiddels wordt de term met een hoofdletter geschreven in hetzelfde NRC Handelsblad-verslag waarin melding wordt gemaakt van de ‘opgefokte sfeer’ die de wedstrijd omgeeft. De verslaggever realiseert zich blijkbaar niet zijn eigen bijdrage aan dat opfokken. Ook bij tv-verslag viel herhaaldelijk de term klassieker, de media scheppen hun eigen hype.

Amsterdam en Rotterdam mogen hun verschillen hebben, maar zijn in de loop der jaren steeds meer op elkaar gaan lijken, als steden vullen ze elkaar trouwens uitstekend aan en te samen vertegenwoordigen ze bij uitstek een sfeer van grootstedelijkheid, aanzienlijk méér dan andere zogenaamde grote steden als Den Haag, Arnhem of Utrecht. Het kan geen kwaad om de overeenkomsten tussen Amsterdam en Rotterdam te onderstrepen. Mijn vriend en oud-collega Frank Bovenkerk heeft daarover wel eens geschreven: beide steden hebben industrie, grote havens, belangrijke handelsfunctie, zijn zetels van grote bureaucratieën en bedrijven. Beide steden zijn deelgenoot geweest in dezelfde geschiedenis, in beide steden zie je dezelfde sociale klassen, etnische groepen en subculturen, hetzelfde soort buurten. In beide steden wordt naar dezelfde tv-programma’s gekeken, op min of meer dezelfde politieke partijen gestemd en beide steden kennen hetzelfde gerechtelijke en staatsrechtelijke systeem.

Misschien dat juist het vervagen van de eigen identiteit in tijden van schaalvergroting en mondialisering bij sommige groepen behoefte aan haat en afkeer schept, dan bestaat er tenminste nog houvast in het leven.

 

 

illustraties:
Verkeersbord; bron: beeldbank.rws.nl
Treinabonnement; bron: immature.nl
Ajax-Feijenoord; bron: www.youtube.com