Is Amsterdam het spiegelbeeld van de rest van Nederland? Ik las het in een column van Auke Kok (NRC Handelsblad, 8 april 2016). Waarom dat zo zou zijn, is mij niet helemaal duidelijk, maar de toon was zo vrolijk en aanstekelijk dat ik me er graag door liet meeslepen, want begrijp me goed: hij bedoelde het als compliment. De welvaart en het opleidingsniveau van de Amsterdammers steekt steeds scherper af bij dat van overig Nederland, de inwoners van de stad weten zich te gedragen en de veiligheid neemt toe. Toe maar! Even slikte ik mijn scepsis en fundamentele bezwaren tegen de stad in en dacht: goedzo, Auke.

De aanleiding voor het stukje was het referendum van afgelopen woensdag. De auteur was verheugd over de Amsterdamse uitslag, precies de juiste, volgens hem: opkomstpercentage lager dan dertig procent en jastemmers in de meerderheid. Hij legde uit dat hij in gezinsverband had gestemd, met zijn vrouw en oudste dochter en dat het vooral voor de laatste een leerzame ervaring moet zijn geweest. Dat kwam ook vanwege de voorbereiding: Thuis hadden we gedebatteerd over Oekraïne en de vraag of meedoen aan een door rancune voortgestuwd referendum zinvol was. Interessant, je krijgt niet altijd zicht op hoe stemgedrag tot stand komt.

Mij was opgevallen dat er van tevoren inderdaad nogal heftige discussies plaatsvonden over wat ons te doen stond, veel meer dan bij ‘gewone verkiezingen’. Althans in mijn omgeving. Het standaardgesprek is zo’n beetje dat je uiteraard weet wat je niet moet stemmen (CDA c.s., PVV, SP), maar niet weet wat je wél moet stemmen—en dan komt het uiteindelijk weer neer op iets als D’66, de minst slechte van de min of meer fatsoenlijke partijen.

De avond voor het referendum, bij voorbeeld, had ik een bijeenkomst van mijn leesclub: we hadden The Scarlet Letter gelezen in het kader van ‘ken uw klassieken’, maar na afloop van de bespeking ging het over de vraag: hoe gaan jullie morgen stemmen? Eén lid had van thuis de opdracht meegekregen om goed naar de argumenten te luisteren, zodat er ook door de echtgenoten en andere familieleden verantwoord gestemd zou kunnen worden. Ik had de meeste argumenten al herhaaldelijk gehoord, want ook buiten de leesclub om had ik met diverse vrienden en vriendinnen overlegd over de kwestie. Veel stemmen gingen uit naar ‘tactisch gedrag’: wegblijven om te bewerkstelligen dat het vereiste opkomstpercentage niet zou worden gehaald en de uitslag niet zou gelden.

Er bestond een sterke motivatie om de initiatiefnemers van het referendum in de wielen te rijden: naar onze smaak louter bedriegers en duisterlingen. Maar anderen hadden het soort argumentatie dat ook door Auke Kok gehanteerd werd: Verbittering zouden wij niet met verbittering te lijf gaan door thuis te blijven. Het stemmen werd een vrolijk gezinsuitje. Ja zeggen: altijd leuker dan nee zeggen. Zelf ben ik de volgende dag gaan stemmen, op de eerste verdieping van een treurig hotel aan het Rembrandtplein, en als vanzelfsprekend heb ik ook ‘ja’ gestemd. Er waren meer gemeenten in Nederland waar de jastemmers de neestemmers overvleugelden, maar de combinatie ‘jastemmen’ en ‘wegblijven’ kwam inderdaad weinig voor.

Bij politicologisch onderzoek ben je voor inzicht in verkiezingen en stemgedrag grotendeels of geheel afhankelijk van plat cijfermateriaal: voorspellingen, peilingen, uitslagen en in het beste geval nog wat kwalitatieve gegevens die door interviewers verzameld zijn bij de uitgang van het stembureau. Impressies en nattevingerwerk. Zelden of nooit krijg je levensechte gegevens onder ogen over hoe keuzes precies tot stand komen; wat ook moeilijk te onderzoeken is, trouwens. Ik denk in dit verband aan onderzoek dat ooit door bevriende sociologen in de Verenigde Staten is gedaan naar het invullen van lijstjes over kijkgedrag voor de tv. Tegenwoordig gaat dat, geloof ik, via kastjes die vastleggen op welke zenders en hoe lang tv-toestellen staan afgesteld. Ook dat zegt nog lang niet alles over daadwerkelijk kijkgedrag, maar het is een iets betrouwbaarder benadering dan die van vroeger, als je ééns per week moest invullen waar je de afgelopen dagen naar gekeken had (en hoe lang). Dat was een uitermate slordige aangelegenheid, volstrekt onbetrouwbaar, zoals genoemd onderzoek liet zien.

Stemgedrag resulteert uit tal van overwegingen, strevingen, impulsen en vindt tot op zekere hoogte plaats in een sociale context waarvan druk en invloed uitgaat. Het is soms ‘wenselijk gedrag’, je wil graag voldoen aan een profiel dat je ‘past’. Maar hoe ‘meet’ je dat alles? Wat weten we er eigenlijk van? Ik denk: bitter weinig—we weten meestal niet eens wat ons zélf heeft bewogen.

Auke Kok trekt verreikende conclusies uit het Amsterdamse stemgedrag van afgelopen woensdag. Over de inwoners van de stad zegt hij: Slimmer en rijker worden we, optimistischer dan de rest en gemiddeld beter op de hoogte van de Europese Unie. Zo is het toch? Mag ook wel eens gezegd worden. Ik glimlach.

De stad is een ‘geestesgesteldheid’, heb ik vroeger wel eens geschreven. Binnen de anonimiteit van de grote stad proberen mensen hun eigen, geprivatiseerde weg te zoeken en tijdens dat proces leren mensen zich te vereenzelvigen met bepaalde aspecten van het stedelijke bestaan. Dat draagt bij aan hun identiteit, aan ‘wie ze zijn’. Stedelingen zijn dikwijls trots op hun stad: door het monumentale karakter van de gebouwen, de stedenbouwkundige structuur, de eigenschappen van de stadsbewoners, de culturele instellingen, het winkelbestand, bijzondere buurten, speciale gebouwen, straten of pleinen, parken. Bij al die elementen kun je voor Amsterdam concrete voorbeelden invullen die iedereen zal herkennen, doorgaans gaat het om precies de eigenschappen die niet-Amsterdammers haten, of zeggen te haten. De uitslag van het referendum was voor Auke Kok een reden voor trots en chauvinisme: de Amsterdammers kunnen overal ter wereld blijven volhouden dat hun stad vóór was, het merk ‘Amsterdam’ overvleugelt dat van ‘Holland’ al jaren.

Ja, zo werkt dat. Vroeger, toen ik nog jong en veelbelovend was, werd Amsterdam beschouwd als een ‘rode stad’—de reden dat mijn goede vader er, vergeefs, op aandrong dat ik in Leiden ging studeren. Ik wilde niets liever dan wonen en studeren in een rode stad, ik was er trots op en voelde me geprivilegieerd. Dat is een grijs verleden, de stad heeft haar rode kleur allang verloren en heeft een vale, bleke tint aangenomen—niets meer om over te juichen. Zou je zeggen. Maar misschien gloort er toch nog een sprankje hoop.

 

 

illustraties:
stembiljet; bron: loyalist.nl
initiatiefnemer referendum; bron: nrc.nl
Auke Kok; bron: twitter.com