We hebben een anderhalvemetersamenleving, sprak het RIVM-orakel Van Dissel. Het coronacreools wordt er niet fraaier op, maar afgezien daarvan: wat bedoelt hij? Zoals zo vaak zie je dat een nieuw begrip zó snel ingang vindt dat de inhoud er niet meer toe doet, als daar al ooit sprake van is geweest. Uit de context waarin de nieuwe Vader des Vaderlands zich uitspreekt, moet je concluderen dat hij een feitelijke situatie op het oog heeft. In een interview (NRC, 9 en 10 mei 2020) wordt hem het vuur aan de schenen gelegd over het al dan niet verplichten van mondkapjes. Hij is geen voorstander van dat middel. In een anderhalvemetersamenleving, zegt hij, heeft een mondkapje geen meerwaarde (….) Het gaat allemaal om kansen. En hoeveel het gaat toevoegen. Niks dus. En dan is er ook nog de vraag of het niet negatief uitwerkt. Omdat we deel uitmaken van een anderhalvemetersamenleving, impliceert hij, hebben we andere middelen niet nodig. De cruciale vraag: wat is zo’n samenleving dan precies? Maken we daar werkelijk deel van uit?

De epidemiologie is geen exacte wetenschap. Of mondkapjes al dan niet zinvol zijn, kunnen we pas veel later vaststellen (‘achteraf’). De samenleving opent weer, maar of dat veilig is, is met een nieuw virus, onzeker. We weten pas volgend jaar of het verstandig is geweest, orakelde Van Dissel in de Tweede Kamer. Desondanks geen spoor van twijfel bij het proclameren van de anderhalvemetersamenleving; moeten we ook op dat punt niet wachten tot we kunnen besluiten of zo’n samenleving echt heeft bestaan? Epidemiology is a science of possibilities and persuasion, not of certainties or hard proof, schreef Charles Duhigg over het ‘pandemische protocol’ in The New Yorker (4 mei 2020), epidemiologists must persuade people to upend their lives—to forgo travel, to submit themselves to blood draws and immunization shots—even when there’s scant evidence that they’re directly at risk.

Duidelijk. Maar hoe zit het nu met die anderhalvemetersamenleving? Persoonlijk heb ik er geen ervaring mee, ik ben als kwetsbare oudere in vrijwillige quarantaine, of, om nog even bij het gruwelijke coronajargon te blijven: isolatie. Het nieuwe normaal (ook al zo’n stuitende coronaterm) speelt zich voor mij voornamelijk buiten af. Ik observeer de dingen van afstand, ik zie aan de overkant van de gracht waaraan ik woon, de huizenrij die grenst aan de Amsterdamse Oude Manhuis Poort en af en toe hang ik uit het raam om het straatgewoel aan mijn kant van de gracht te bekijken. In het begin van de lockdown was het uitgestorven op straat, de grote stilte. Maar na verloop van tijd waagden zich steeds meer mensen buiten. Het weer was af en toe erg fraai en de stilte moest soms wijken voor een beetje straatrumoer, maar nog steeds kan ik de vogeltjes horen in de bomen voor mijn huis, terwijl de klokken van de Zuidertoren overal doordringen. Glashelder. Ik heb twee keer eerder zo’n stilte in de stad meegemaakt: één keer in New York tijdens een felle sneeuwstorm en nóg eens in Mumbai toen er gevreesd werd dat de godsdienstrellen in Gujarat van 2002, ook wel de Gujaratprogroms genoemd, naar de stad zouden overwaaien.

De anderhalve meter, waar de nieuwe samenleving van Rutte c.s. naar genoemd is, slaat op de afstand (niet ‘sociaal’, zoals het coronacreools wil, maar fysiek) die mensen tot elkaar in acht nemen ter vermijding van besmetting door het gevreesde virus. Althans, zo heb ik het voorlopig maar opgevat. Als ik de afgelopen weken vanuit mijn bovenverdieping volk op straat zag, vroeg ik me af: zouden zij die anderhalve meter respecteren? Dat verwacht je toch in een anderhalvemetersamenleving. Ik heb mijn waarnemingen gedocumenteerd door met een simpele camera (Olympus E-450) kiekjes te nemen. Ik heb niets geturfd, maar mijn indruk is dat het ‘verkeer’ voor een groot deel, wellicht het grootste deel, bestaat uit eenlingen, wandelaars, voetgangers, fietsers en automobilisten. Dat is op zichzelf niet typerend voor deze coronatijd, denk ik. Wél typerend, dunkt me, is het grote aandeel van fietsende maaltijdbezorgers. Of die categorie relevant is voor de anderhalvemetersamenleving, weet ik niet: als je alleen bent, tegenover wie moet je dan de afstand bewaren? Ik heb vooral naar ‘samenlevingen’ en ‘samenlevinkjes’ gekeken. Vóór de uitbraak van het virus werd de stedelijke drukte met name door de alom vertegenwoordigde groepjes dagjesmensen en toeristen bepaald. Die zie je nu niet meer.

De onderlinge afstanden tussen mensen zijn van bovenaf moeilijk te bepalen, ik heb op het oog geschat; heel onbetrouwbaar, ik weet het. Maar als het gaat om mensen in face-to-face contact is één meter vijftig een betrekkelijk grot afstand, daar moet je toch een paar pasjes voor zetten. Ik laat hieronder wat plaatjes zien, in betrekkelijk willekeurige volgorde: voetgangers op het trottoir, fietsers, allerlei vormen van interactie, varensgezellen, vooral veel ‘zitters’, in het wild op de kademuren, lege parkeerplaatsen of op officiële zitbankjes. Het gaat overwegend om jongere mensen, dat moet worden ingecalculeerd als je conclusies zou willen trekken uit de beelden.

 


Hoe ver uit elkaar?

 


We doen het samen.

Voetgangers hebben de ruimte onder de coronadruk, maar niet alle trottoirs in de Amsterdamse binnenstad bieden deze ruimte, hier en daar mag je blij zijn dat je nog naast iemand kunt lopen.

 


Ontmoeting.


Werkbespreking.

Volgens de deskundigen beweegt het verkeer zich van A naar B. Dat zal wel waar wezen, maar onderweg kan er van alles gebeuren. Voetgangers komen vrienden of kennissen tegen en maken een praatje, werkmannen nemen even pauze tussen twee klussen door. Wie denkt er dan nog aan de afstand?


Oom  agent in actie.

 


Omsingeling.

Opmerkelijk: de politiemannen zijn blijkbaar goed geïnstrueerd over de afstand. Hier wordt een verdacht persoon omsingeld met inachtneming van alle égards. De omsingelde man maakte enorm misbaar, maar was blijkbaar geen prooi. Te vrezen valt dat de politie soms in problematischer situaties terechtkomt. Of, misschien ook niet… laat maar lopen.

 


Snelverkeer.

Door het stilvallende autoverkeer hebben fietsers alle ruimte en die nemen ze ook, onder de omstandigheden van het ‘oude normaal’ zouden ze dicht tegen elkaar aanrijden, of juist achter elkaar.

 


Samenwerking.

 


Dealtje.

Je komt onderweg niet alleen bekenden tegen, maar ook objecten die je gezamenlijk moet benaderen. Een meeuw op het dak van een auto moet van elke kant worden vastgelegd voor het nageslacht. Of er wordt even snel een dealtje gesloten. Afstanden vallen weg…

Dat geldt in sterke mate voor groepjes die even gaan zitten, om uit te rusten, te genieten van de stilte of van de zon, wie denkt er dan nog aan een virus?

 


Baliekluivers.

 


Het goede leven.

 


Paarvorming.

 


Gezellig samen een tochtje maken door de gracht.

 


Dreggen.

Er is blijkbaar van alles te doen aan de gracht, en in de gracht. Dreggers had ik nog niet eerder gezien. Wat waren ze kwijt? Na een half uur vertrokken de dreggers weer… niets naar boven gehaald.

De grote stilte maakt het ook mogelijk om je van het stadsgewoel af te zonderen. Voor velen is dat de lichtzijde van de pandemie. Eindelijk rust.


Mijmeren aan de kade.

 


Mijn eigen baan.

 


Totale vrijheid.

Anderen blijven binnen, zoals ik. Je weet maar nooit.

 


Far from the madding crowd.

 


Amme zolen.

Als je het geheel overziet, valt je dan een nieuw soort samenleven op? En wel een anderhalvemetersamenleving? Ik vrees voor Jaap van Dissel en Mark Rutte dat de wens de vader van de gedachte is, zoals zo vaak is de werkelijkheid aanzienlijk taaier en weerbarstiger dan de theorie. Anderhalvemetersamenleving? Ammehoela!

illustraties
Fotografie Lodewijk Brunt