eEn bezoek aan Crandall’s Knickerbocker Theatre in Washington, DC, moet overweldigend geweest zijn. Niet zomaar een bioscoop… een tempel. Na de ingang een foyer, zo breed als het hele gebouw, met kristallen kroonluchters en marmer op de vloer. Een exclusieve snoepwinkel op de begane grond, een ‘salon der verfrissingen’ op de eerste verdieping en bij het balkon een tearoom. In de trechtervormige zaal passen zeventienhonderd bezoekers. De akoestiek is ongekend en tijdens de voorstelling zorgen ventilatoren voor een aangenaam briesje; de meubels zijn met zijde gevoerd. Bij de opening in 1917 is de pers laaiend enthousiast en Harry Crandall, de succesvolle eigenaar, breidt zijn bioscoopimperium in snel tempo verder uit met nog zo’n twintig theaters, waaronder The Metropolitan, The York en The Lincoln. Hij leunt daarbij op zijn ‘huisarchitect’ Reginald Geare die door de recensenten wordt bejubeld als bouwmeester van het filmtijdperk.

Ik ontleen mijn kennis aan Waagstukken, geschreven door de Vlaamse dichteres Charlotte Van den Broeck. Het boek kwam vorig jaar uit, ik ben daarmee vast de laatste van het groepje Nederlanders dat nog kan lezen die het boek in handen heeft gekregen. Mijn exemplaar komt van de zevende druk, november 2019. Het verkoopsucces is toe te schrijven aan de reclame voor het boek in het babbelcircuit van de Nederlandse tv, heb ik me laten vertellen. Het stempel van goedkeuring is met oerlijm op het omslag van mijn exemplaar vastgeplakt: DWDD TIP. Voor insiders. Het zegt niets ten nadele van Van den Broeck: ze kan goed schrijven en vertelt vol vaart het aangrijpende verhaal van het Knickerbocker Theatre. Vijf jaar na de opening stort het dak inéén tijdens een voorstelling van comedy night. Buiten is het ongenadig noodweer, het sneeuwt en stormt al meer dan een etmaal aan één stuk door. Vlak nadat er een golf van gelach door de zaal is gegaan, klinkt er een oorverdovende klap. In totaal ligt er op het dak een lading van ongeveer zevenduizend kilogram opeengehoopte sneeuwvlokken (…) dat het met staalbalken verankerde dak doet instorten, dat zelf, naargelang het deel, op sommige plaatsen twee-, op andere plaatsen tienduizend kilo weegt. Die massa aan staal en steen en sneeuw stort volledig naar beneden, in één stuk, de hele oppervlakte, alsof iemand het dak langs de randen uitsneed, schrijft Van den Broeck. Er vallen bijna honderd doden en nog meer gewonden. Geare wordt dagenlang ondervraagd voor de rechtbank. Hij gaat er niet vanuit dat hij onschuldig is, hij werkt loyaal mee met de onderzoekscommissie, net zo gedreven als iedereen om te achterhalen wat er precies is gebeurd. Hij loopt alles na, tekent de plannen opnieuw, en nog eens, om zeker te zijn. Wat ziet hij over het hoofd? Waar heeft hij een fout gemaakt? Uiteindelijk beslist de rechtbank dat de slachtoffers vielen door fouten in het ontwerp die voorkomen hadden kunnen worden, de architect wordt aangeklaagd wegens manslaughter. Hoewel hij niet veroordeeld wordt, blijft de aanklacht aan hem kleven. Hij krijgt geen opdrachten meer, het lukt hem niet zijn leven nog op orde te brengen. Een paar jaar na de ramp pleegt hij zelfmoord door de gaskraan op zijn studeerkamer open te zetten,

In Waagstukken bespreekt Van den Broecke dertien projecten (van een zwembad tot een museum) waar op de een of andere manier een ‘luchtje’ aan zit. Sommige bouwsels bestaan niet meer, zoals het Knickerbocker Theatre, andere krijgt ze niet te zien. Steeds probeert ze door onderzoek ter plaatse de geschiedenis te achterhalen via gesprekken met betrokkenen, nabestaanden of deskundigen. Maar het ‘verhaal’ is belangrijker dan de ‘feiten’, ze neemt soms ook genoegen met opmerkingen van een willekeurige koffiejuffrouw; de zoektochten zijn vooral aanleiding om de persoonlijke situatie van de schrijfster uit de doeken te doen. Het gaat over vriendjes, liefdesverdriet, jeugdherinneringen—het beschreven ‘project’ is vaak maar bijzaak. Hoe aardig en geestig de autobiografische momenten ook beschreven worden, bij mij roept dat af en toe lichte irritatie op: waarom moet ik dit lezen? Deste sterker bij projecten die ik goed ken, zoals de Weense Staatsopera of de Kelvingrove Art Gallery & Museum te Glasgow. Wat is de rode draad van het boek? Voor zover ik kan zien, hebben de projecten niets gemeenschappelijks en zijn ze op onduidelijke gronden uitgekozen. Ook de architecten vormen een toevallig samenraapsel, met de meesten ‘is’ iets, al is het onduidelijk wat dan precies. Het is evident dat er systematiek ontbreekt aan Waagstukken, maar goed, de schrijfster heeft die pretentie ook niet. Waar het boekje me onwillekeurig aan deed denken  was een architect waar wel degelijk iets mee is, en zeker met enkele van zijn projecten.

 


Yamasaki voor de wereldvrede.

De architect in kwestie (ik heb op deze plaats wel eens eerder over hem geschreven) had een sterk geloof in de wereldhandel: world trade means world peace. Een gebouw dat aan de wereldhandel is opgedragen, moet daarom een uitdrukking vormen van het geloof in de mensheid, meende hij. De behoefte aan individuele waardigheid, het vertrouwen in menselijke samenwerking en het vermogen om daarmee boven zichzelf uit te stijgen. In zo’n gebouw moeten mensen uit de hele wereld bijeenkomen om elkaar te ontmoeten en elkaar te leren begrijpen. Ondanks zijn hoogtevrees, bouwde de architect twee torens die de hoogste ter wereld waren, geïnspireerd door Japanse principes van harmonie. U hebt het al geraden, ik heb het uiteraard over de architect van het World Trade Center, Minoru Yamasaki. Afkomstig van Japanse ouders, maar geboren in de Verenigde Staten en opgegroeid in Seattle, waar hij het smerige werk deed in fabrieken voor visconserven om zijn studie te kunnen betalen. I know from personal experience, schreef hij, how prejudice and bigotry can affect one’s total thought process (…) If all  human beings were given the opportunity to achieve their highest degree of capability without suppression, our world would be a much better place. Het is een understatement om te zeggen dat de tweelingtorens de vurige hoop van Yamasaki niet hebben vervuld. Hij had geen begrip voor de critici van zijn werk: hij zag harmonie en abstracte schoonheid, anderen zagen megalomane monumenten van arrogantie. Zelfs toen de torens werden gebouwd in de jaren zestig zagen veel mensen met lede ogen de grove vernielingen aan die ze aanrichtten in het stratenpatroon, het hele centrum van Manhattan werd verwoest. En, zoals we weten, was het WTC niet het eerste project van Yamasaki dat werd opgeblazen. Eerder gebeurde dat bij het Pruitt-Igoeproject in St. Louis, een van de inspiratiebronnen voor de Amsterdamse Bijlmer. Wat bedoeld was om het bestaan van arme zwarte families op een hoger plan te brengen, werd een broeinest van misdaad en vandalisme. In 1972 bliezen de autoriteiten de hele zaak op, er was geen redding meer mogelijk.

De instorting van het Knickerbocker Theatre was dramatisch, ongetwijfeld, maar de vernietiging van die twee opgestoken vingers zet alles in de schaduw. Het verhaal zou niet hebben misstaan in Waagstukken.

 

Illustratie:
Minoru Yamasaki; bron: sciencephoto.com
Charlotte Van den Broecke; bron: nrc.nl