Bij het doorbladeren van de Volkskrant, wat ik zelden doe, bleef mijn blik hangen aan een stukje over armoede en wel in het bijzonder over de Amerikaanse ‘ervaringsdeskundige’ Linda Tirado. Als ik het goed begrepen heb, heeft deze dame een bestseller geschreven over het onderwerp, sterk autobiografisch getint, maar is zij inmiddels afgeserveerd als bedriegster. Ze zou haar eigen penibele omstandigheden nogal overdreven hebben en gebeurtenissen bij elkaar hebben geharkt die zich in werkelijkheid in verschillende fasen van haar eigen leven en misschien wel in de levens van verschillende mensen hebben afgespeeld. In het bewuste Volkskrantstukje viel het woord poverty porn. Dat heb ik onthouden.

Armoede is weer ‘in’, ook in Nederland, en hoe kan het anders in tijden van aanhoudende crises, recessies, sombere vooruitzichten en wereldvreemde overheden. Het verhaal van Tirado deed me denken aan de controverse over de column Onder aan de ladder die begin jaren tachtig in het weekblad Vrij Nederland verscheen. De stukjes werden ondertekend door door M. Mus, die zich presenteerde als bijstandsmoeder. Haar situatie was bar en boos en uitzichtloos. Maar het mededogen sloeg om in irritatie (en erger) toen bleek dat zich achter het pseudoniem ene Selma Vrooland verborg, die weliswaar bijstandsmoeder was geweest, maar dat al niet meer was toen ze haar goedbetaalde rubriek schreef. Ik kan me de precieze details niet meer herinneren, maar het staat me bij dat Renate Rubinstein (collega-columnist Tamar bij hetzelfde weekblad) not amused was.

Het leven dat Tirado beschrijft voldoet aan alle stereotypen die je altijd over arme mensen verneemt. Ze eten slecht, nemen de verkeerde beslissingen, hebben altijd pech, gaan met de verkeerde mensen om, zijn ongezond en onverantwoord, voeden hun kinderen slecht op, hebben de foute politieke voorkeuren. Tirado moest rond zien te komen met twee miserabele baantjes, ze kon alleen maar bij restaurants als McDonald’s werk vinden. Geen fatsoenlijk bedrijf nam haar aan vanwege een slecht gebit en (uiteraard) onvoldoende scholing en ervaring. Ze had twee ongewenste zwangerschappen, de vader van haar kinderen was arbeidsongeschikt, hun huis overstroomde, ze konden de rekeningen niet betalen, waren onverzekerd, konden nergens lenen. Sommige recensenten hebben haar boek Hand to Mouth. The Truth about Being Poor in a Wealthy World geprezen omdat het een verslag ‘van binnenuit’ is over hoe het voelt om in je eigen land vernederd en verafschuwd te worden.

Het is een aspect van armoede dat niet van vandaag of gisteren dateert. Armen zijn de verworpenen der aarde. Ik dacht aan wat een bevriende socioloog, de Amerikaan Herbert Gans, al vele jaren geleden over dit fenomeen schreef: The Uses of Poverty. De titel van een hoofdstuk in een boek met essays uit het begin van de jaren negentig, later nog eens herhaald in het boek The War Against The Poor, uit 1995. Gans stelt de vraag: wat zijn de functies van armoede? Met andere woorden: op welke manieren draagt armoede bij aan de instandhouding van maatschappelijke constellaties. Het is een ontnuchterende vraag, ik kan me voorstellen dat bij sommige mensen het schuim op de mond komt: armoede is door-en-door slecht, hoe kan dat ooit ergens goed voor zijn of ergens aan bijdragen?! Maar het is de opdracht van de sociologie (en de antropologie) om óók verschijnselen die ‘onwelgevallig’ zijn tegen het licht te houden. Gans is daar een meester in. Hij onderstreept dat zijn benadering geen oordeel inhoudt over de wenselijkheid of de onvermijdelijkheid van armoede, maar dat het hem te doen is om een beter begrip van maatschappelijke instellingen in het algemeen.

De afschuw waar Tirado als arme sloeber onder gebukt ging, vervult volgens Gans een duidelijke functie. Door armen te beschouwen als mensen met afwijkend, ongewenst gedrag, leggen sommige groepen de nadruk op de wenselijkheid en legitimiteit van hun éígen normen en waarden. Als je wilt wijzen op het eminente belang van hard werken, spaarzaamheid, eerlijkheid, monogamie, studeren, komt het goed uit dat je kunt wijzen op een vervloekte bevolkingsgroep die lui is, niet wil leren of werken, leugenachtig en onbetrouwbaar is, instabiel. Of armen écht zulke negatieve eigenschappen bezitten is een tweede, ze hebben in ieder geval niet de macht om zich tegen zulke oordelen te verzetten. Je bent arm, dus je hebt geen recht van spreken.

Ook de veronderstelde verslaving van armen aan seks, alcohol, drugs en tabak vervult zo’n functie; het is de andere kant van de medaille. Armen zouden minder weerstand kunnen bieden aan geneugten die slecht zijn voor hun eigen gezondheid en daarmee de volksgezondheid in het algemeen. Je hoort veel stemmen opgaan die rokers of vetzakken of drugsverslaafden willen uitsluiten van reguliere medische zorg, ‘wie niet wil horen, moet maar voelen’; ‘waarom moet wij betalen voor het onverantwoordelijke gedrag van volk dat zich niet kan beheersen’. Armen vormen een ideale vergelijkingsmaatstaf voor groepen die zich rekenschap geven van hun positie op de maatschappelijke ladder. Gans zegt: net zoals de ‘oude rijken’ zich willen onderscheiden van de ‘nieuwe rijken’ hebben leden van de lagere middenklassen er in hun streven naar opwaartse mobiliteit behoefte aan zich te onderscheiden van alles wat daaronder komt.

De armen zijn een gewilde afzetmarkt voor diensten en goederen die door stijgende groepen (nieuwe immigranten, bij voorbeeld) geproduceerd en geleverd worden: gestolen waar, gokhuizen, gebrekkige huisvesting, onderhandse leningen (tegen woekerrente), tweedehands rommel of afvalproducten die je nergens anders meer kwijt kunt. Aan de andere kant zorgen de armen ervoor dat er een uitvoerige charitatieve industrie in stand gehouden wordt. Liefdadigheid verleent niet alleen status maar houdt ook veel banen in stand. Artsen, verpleegkundigen, welzijnswerkers, arbeidsbemiddelaars, maar ook politici en vrijwilligers – bij elkaar hele legers van functionarissen die zich met de armen en hun problematiek bezighouden. Armoede… je lééft ervan!

Armoede vervult niet alleen positieve functies in de sociaal-culturele sfeer, maar ook in de economie. Als er geen armoede zou zijn, wie knapte dan ons vuile werk op? Zelfs in de modernste samenlevingen bestaat werk dat smerig of gevaarlijk is, tijdelijk (zzzv: zeer zeker zonder vooruitzichten), onderbetaald, onwaardig, oneerlijk. In Mumbai kon je niet zo lang geleden (en misschien nog wel) voor een paar tientjes huurmoordenaars uit het straatarme Bihar laten overkomen – voor een spotprijs ruimde je al je vijanden op. Zonder armoede zouden ontelbare restaurants, ziekenhuizen, verpleeghuizen, delen van de kledingindustrie, intensieve tuinbouw in de huidige vorm onbestaanbaar zijn. Door armoede kunnen rijken ook het personeel bekostigen dat nodig is voor al hun diverse commerciële, culturele en sociale activiteiten – waardoor ze nog hoger op de ladder stijgen. En zonder armen zouden de gevangenissen praktisch leeg zijn, zou de politiemacht kunnen worden gedecimeerd. Gans denkt nog aan allerlei andere activiteiten en groepen die zonder armen geen bestaan zouden hebben: … the numbers game, the sale of drugs and cheap wines and liquors, pentecostal ministers, faith healers, prostitutes, pawnshops, and the peacetime army which recruits many of its enlisted men from among the poor.

Linda Tirado mag overdreven hebben en gesjoemeld, ze heeft een vinger op de wonde plek gelegd – en dat doet blijkbaar pijn. Ze heeft gelijk, armoede is verschrikkelijk… voor armen. Maar als armoede niet meer zou bestaan, werden armen onmiddellijk weer opnieuw uitgevonden.

 

bron foto Linda Tirado: huffington post;
bron foto Herbert Gans: www.2asanet.org