Voor mijn leesclub – jazeker, ook manspersonen maken deel uit van leesclubs – behandelen we John Fante (elders op deze website heb ik hem al eens genoemd), zijn eerste roman, uit 1938, Wait Until Spring, Bandini. Geen klassiek literair meesterwerk, maar in verschillende opzichten interessant als document. Fante is tweede-generatie-Italiaan, zijn vader kwam uit de Abruzzen, een streek van waaruit volksstammen emigreerden naar de Nieuwe Wereld, op zoek naar werk en een fatsoenlijk bestaan. In de roman wordt het armzalige immigrantenleven (in Colorado) beschreven, honger kou, werkloosheid, problemen. De verteller is een opgroeiend jochie – Arturo Bandini – die het op een strenge katholieke nonnenschool moet zien te redden en als oudste kind zijn kleinere broertjes in het gareel probeert te krijgen. Vader Svevo Bandini is metselaar, maar heeft ’s winters gewoonlijk geen werk. Hij drinkt en hij gokt, zoals in werkelijkheid inderdaad veel Italianen deden. Via zijn vriend Rocco Saccone komt hij in contact met de rijke weduwe Effie Hildegarde die een nieuwe haard wil laten metselen in haar huis even buiten Rocklin (de woonplaats van de Bandini’s): … the low house built of white flagstone and set among tall pine trees seemed a place out of his dreams: an irresistible place, the kind he would some day have, if he could afford it.

Het werk is een makkie. De weduwe is tevreden en ze geeft hem nog meer werk, maar de sociale afstand is onoverbrugbaar. Was hij Italiaan? Dat is ook toevallig! Vorig jaar was ik nog in Italië, wat een prachtig land! Hij kende toch zeker de schilderijen van Michelangelo en de Campo Santo?! De Italiaanse Rivièra? Svevo moest bekennen dat hij uit de Abruzzen kwam en nooit noordelijker dan Rome was geweest en van jongsaf aan hard had moeten werken. Aha, de Abruzzen, dan had Svevio uiteraard het werk van d’Annunzio gelezen, want die kwam ook uit die streek! Ja, die naam kende hij wel. ‘Hij was tevreden en hij voelde dankbaarheid jegens d’Annunzio, nu had hij tenminste iets gemeenschappelijks met de weduwe. Maar tot zijn verdriet was dit alles wat hij over het onderwerp te melden had’. De weduwe koopt een paar nieuwe schoenen voor Svevo en betaalt hem een ruime vergoeding voor zijn klussen. De sterke Svevo belandt na korte tijd bij de weduwe in bed.

Wekenlang is Svevo zoek, zijn vrouw en kinderen hebben geen idee waar hij uithangt, maar door roddels en geruchten wordt bekend dat Svevo bij de weduwe is ingetrokken. Hij zal toch vóór Kerstmis wel weer thuiskomen? In de huishoudkas van Maria Bandini zit geen stuiver meer, het eten is op en bij de kruidenier valt niet langer te poffen. Dan komt Bandini eindelijk thuis op zijn nieuwe schoenen, met een pak geld. Koop maar cadeautjes voor Kerstmis, ruk een feestmaaltijd aan! De kinderen zijn opgetogen, maar Maria is razend, ze krabt Svevo’s gezicht open en smijt het geld in de kachel. Enfin, nadat de weduwe na verloop van tijd Svevo de deur heeft uitgezet, komt uiteindelijk alles weer goed.

Het boek werd in 1989 verfilmd door de Belgische regisseur Dominique Deruddere, met in de hoofdrollen Joe Mantegna als Svevo en Faye Dunaway als de weduwe – voor zover ik me herinner niet zo’n gelukkige casting. De nadruk ligt op de liefdesperikelen, de relatie tussen de simpele bouwvakker en de rijke weduwe met als slachtoffer/triomfator de machteloze Maria – dit alles gezien door de ogen van de jonge Arturo die maar nauwelijks begrijpt wat er precies gaande is en heen en weer wordt getrokken tussen de sympathie voor zijn moeder en de bewondering voor zijn vader (een Italiaanse boerenkinkel die het aanlegt met een aantrekkelijke Amerikaanse weduwe). Zelf ben ik meer geboeid door een ander soort ambivalentie dat een belangrijk thema vormt in de roman – een jochie dat opgroeit tussen twee culturen.

In de jaren 1920 werd aan de Universiteit van Chicago de grondslag gelegd voor een moderne, empirisch georiënteerde sociologie. Allerlei begrippen die tot het alledaagse sociologenjargon zijn doorgedrongen, werden toen en daar ontwikkeld. De stad Chicago zelf vormde het laboratorium, het was de ‘shock city’ uit die dagen – een ongekend snelle bevolkingsgroei door een onstuitbare stroom immigranten, zowel uit de Zuidelijke staten door de mechanisering van de katoenteelt, als uit Europa. Eerst de Ieren en Duitsers, daarna, in de eerste decennia van de 20e eeuw, uit het oosten en diepe zuiden van Europa. De onvolprezen Robert Ezra Park ontwikkelde zijn begrip marginal man aan de hand van de talrijke groepen minderheden die zich in Chicago vestigden (destijds bestond meer dan zeventig procent van de bevolking uit mensen die elders waren geboren). Hij sprak over een cultural hybrid, iemand die tussen werelden manoeuvreert, op het grensgebied van verschillende culturen zonder van één van die culturen volledig deel uit te maken. Een typisch verschijnsel van tweede-generatie-immigranten, ze hebben zich duidelijk gericht op de ontvangende samenleving, maar hebben hun ‘wortels’ in de oude cultuur nog niet afgesneden. Dat leidt tot veelvuldige conflicten, met name tussen ouders en kinderen, maar ook binnen personen zelf. In onze dagen kunnen we het principe ten volle in werking zien bij Marokkanen en Turken.

In Fante’s roman is Arturo (Fante zelf?!) het prototype van een marginal man. Hij wordt het hele boek door met kracht heen en weer geslingerd tussen trots op zijn afkomst als Italiaan en peilloze zelfhaat, tussen een uitermate positief gestemde identificatie met de Amerikaanse cultuur en een diep afkeer van alles wat Amerikaans is. Hij droomt van honkbal, de nationale sport, en verbeeldt zich dat hij later een beroemde werper zal zijn die iedere Amerikaanse vrouw om zijn vinger zal kunnen winden; … in het Yankee stadion zou hij opkijken naar alle vrouwen in het publiek, minzaam knikkend naar zijn vrouwen, allemaal blond en groot, met een glimlach op het gezicht, zoals Effie Hildegarde. Er was geen Italiaan te bekennen. Arturo kon alle begrip opbrengen voor zijn vader – hij moest toegeven dat als hijzelf zou mogen kiezen tussen zijn moeder en Effie Hildegarde, het zonder enige twijfel eveneens Effie zou zijn. ‘Italiaanse vrouwen van zekere leeftijd’, dacht hij, ‘kregen spillebenen, brede heupen, dikke buiken, hangende borsten. Ze verloren hun pit’.

Maar op school is hij hopeloos verliefd op zijn klasgenootje Rosa Pinelli: ze was arm, de dochter van een mijwerker, maar als ze praatte stond iedereen om haar heen om alles te horen wat ze zei. Hij was trots op haar en vroeg zich af of al die bewonderaars van Rosa zich wel realiseerden dat hij, Arturo, óók Italiaan was, net als Rosa. Kijk eens naar mij, Rosa, ik ben ook Italiaan, kijk maar, ik heb dezelfde ogen als jij!

Rosa, me and you: a couple of Italians.

Op andere momenten ergert hij zich aan de wops en dago wops, zoals zijn eigen vader. Bij het ontbijt schreeuwde zijn vader om koffie – ‘waarom kon hij het niet gewoon vragen? iedereen in de buurt wist precies wat er zich bij hem thuis afspeelde. Amerikanen waren rustig, maar zijn vader was er niet mee tevreden een gewone Italiaan te zijn, he had to be a noisy Italian. Hij at zijn eieren op een smerige, Italiaanse manier, er bleef van alles in zijn snor hangen. Couldn’t he find his mouth? Oh God, these Italians! Maar als hij Svevo Bandini opzoekt bij Effie Hildegarde, bespiedt hij hem op afstand als hij een luchtje schept: Arturo shuddered with delight, he looked swell! He looked like Helmer, the banker and President Roosevelt. He looked like the King of England. O boy, what a man!

Een marginal man is door zijn positie bij uitstek geschikt als ‘tolk’ of ‘bemiddelaar’, hij kan buitenstaanders laten zien hoe de wereld eruit ziet vanuit een minderheidspositie. Ik denk dat Fante die rol met grote bezieling heeft vervuld.

 

illustratie Fante (schets door Llenos de Vida), bron: www.flickr.com/photos/crocodile
illustratie Robert Ezra Park, bron: www.biography.com