Athill en de schilderes

Een dag of tien geleden overleed Diana Athill, 101 jaar oud. In de overlijdensberichten werd uiteraard haar decennialange verbintenis met uitgeverij André Deutsch gememoreerd, waar ze te maken heeft gehad met een keur aan prominente schrijvers. Niet alleen V.S. Naipaul die iedereen altijd noemt, maar vooral ook Jean Rhys, Gitta Sereny, Molly Keane, Margaret Atwood. Ze pushte vrouwelijke auteurs want ze wist maar al te goed dat boeken meer door vrouwen dan door mannen worden gelezen, terwijl vrouwen minder kans hebben om gepubliceerd te worden. Een van haar grote bezwaren tegen het werk van Naipaul was dat bij hem de ‘vrouwelijke toets’ totaal ontbrak. Zelf schreef ze ook. Na haar pensionering heeft ze romans geschreven, maar haar beste werk is de stapel ‘herinneringen’ die door uitgeverij Granta is uitgebracht in de jaren negentig van de vorige eeuw en de eerste jaren van deze eeuw: Yesterday Morning, bij voorbeeld, Make Believe, Instead of a Book, Instead of a Letter, Somewhere Towards the End en met name Stet, over haar werk als uitgever-redacteur. Een aantal memoires is verzameld in Life Class. The Selected Memoirs of Diana Athill (2009).

Ik bladerde door Somewhere Towards the End, op zoek naar de schitterende passages die ze heeft gewijd aan haar jeugdjaren, de puberteit en aan het ouder worden en wat dat voor haar persoonlijke leven betekende. Haar gehoor werd zo slecht dat ze niet meer naar muziek kon luisteren, het lopen ging haar steeds minder goed af, haar seksleven hield op te bestaan. Van sommige dingen werd ze erg verdrietig, de muziek, andere dingen raakten haar veel minder of alleen maar als onderwerp van intellectuele verbazing, de seks. Van wandelen had ze haar hele leven niet gehouden, dus dat liet haar volkomen koud. Al lezend stuitte ik op de passage over die ‘andere’ (latere) Nobelprijswinnaar naast Naipaul waar ze in haar professionele leven mee van doen heeft gehad, namelijk Elias Canetti. Er was sprake van dat Deutsch iets van de filosoof zou gaan uitgeven, maar dat had de nodige voeten in de aarde.

Canetti had een hoge dunk van zichzelf, herinnert Athill zich: he had a Central European’s respect for the construction of abstract systems of thought about the inexplicable, which caused him to overvalue his own notions to the extent of publishing two volumes of aphorisms, zegt ze met onnavolgbaar Engels sarcasme. Canetti was voor de Tweede Wereldoorlog naar Engeland uitgeweken, maar had een gloeiende haat tegen de Britten opgevat—I think because they had failed to recognize his genius, zoals Athill opmerkt. Ze ziet bij de aforismen een aantal kernachtige formuleringen, maar heel weinig humor en vooral veel bombastische ijdeltuiterij. De deur ging dicht voor Athill toen ze de klinkklare onzin zag waarmee hij ook kwam aanzetten, zoals zijn opvatting dat hij immuun was voor de dood. Aan zijn teksten mocht geen punt of komma worden veranderd.

Athill staat uitvoeriger stil bij de ontmoeting die ze veel later zou hebben met één van de vele minnaressen van Canetti: Marie-Louise Von Motesiczky. Toen ik het las, kreeg ik een schokje—had ik daar vroeger overheen gelezen? Motesiczky is de schilderes van wie ik—ik denk inmiddels zo’n jaar of twintig geleden—een grote overzichtstentoonstelling heb gezien te Wenen, in het Belvedere Museum. Ze was toen net ‘ontdekt’ door het grote publiek, zoals dat heet; in Oostenrijk was een beweging aan de gang om allerlei verhullende stofnesten weg te blazen van gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog. In diezelfde tijd werden bij voorbeeld de schitterende vrouwenportretten van Gustav Klimt voor het eerst vertoond met de echte namen van de geportretteerden: overwegend afkomstig uit welgedane Joodse families. Dat was door de Nazi’s zorgvuldig verborgen gehouden… kunst mocht niet met Joden worden geassocieerd, zeker niet als het om ‘mooie’ kunst ging. Motesiczky kwam uit dezelfde kringen, maar was geen model. Ze schilderde zélf. Haar ouders waren rijk en gezien, de familie had uitvoerige contacten met iedereen die er in Wenen toe deed: Sigmund Freud, Otto Wagner, Wilhelm Reich, Oskar Kokoschka. Marie-Louise kreeg privé schilderles van Max Beckmann.

 


De schilderes bij de ingang van de Tate Gallery … rechts

Haar Joodse identiteit kreeg pas betekenis toen de fascisten aan de macht kwamen en één dag na de Anschluss vluchtte ze met haar moeder het land uit (haar vader was overleden, haar broer wilde blijven en ging bij het verzet; hij zou later in een concentratiekamp worden vermoord). Met Tsjechische paspoorten kwam ze in Nederland terecht, bij een tante. Marie-Louise was net dertig en hoewel ze al eens geëxposeerd had, werd haar schildersloopbaan in de knop gebroken. Haar moeder vond het vreselijk in Nederland, maar Marie-Louise ging zo goed en zo kwaad als het kon door met haar schilderwerk. In Nederland ontmoette ze ook weer het eveneens gevluchte echtpaar Max en Quappi Beckmann die ze aan geld hielp door wat schilderijen van Beckmann aan haar familie te verkopen. Zelf kreeg ze een solo tentoonstelling in de Esher Surrey Art Galleries te Den Haag. Ze was doodzenuwachtig maar haar hondje bracht geluk: het pieste tijdens de opening in de galerie tegen de muur. De recensies waren lovend, met name die van de toonaangevende kunstcriticus van De Telegraaf, Cornelis Veth: een jong en fascinerend talent. In de beschouwingen werd vermeld dat Motesiczky niet meer in haar geboorteland kon exposeren vanwege de Anschluss. Klaus Mann die Nederland goed kende en verkeerde in emigrantenkringen, noemt in zijn Het keerpunt wel Max Beckmann, maar niet Motesiczky—opmerkelijk voor de grootste name dropper aller tijden. Motesiczky was kennelijk niet belangrijk genoeg. Van Nederland kwam ze met haar moeder na veel omzwervingen in Engeland terecht.

 


Portret van de grote filosoof door zijn minnares Von Motesiczky

Diana Athill ontmoette Motesiczky door puur toeval, een vriendin was bij de schilderes thuis geweest, in het Londense Hampstead, om een kamer te bekijken die te huur stond: ze belde Diana dat ze een keer samen op bezoek moesten gaan. Waarom? De hospita was een interessante vrouw die de minnares van Canetti was geweest en haar boekenkasten puilden uit van Canetti’s boeken—hij had er ooit een werkkamer gehad. Marie-Louise en Diana konden het goed samen vinden, vooral toen bekend werd dat Diana werk van Canetti had uitgegeven. Marie-Louise vertelde dat ze ruim twintig jaar een verhouding met de grote geest achter de rug had toen ze voor het eerst hoorde dat hij getrouwd was en een dochter had. Ze was wat wereldvreemd omdat ze zich behalve aan Canetti altijd had gewijd aan de verzorging van haar moeder, die net op hoge leeftijd was overleden. Ze kwam eigenlijk nooit de deur uit. Het huis stond vol met nogal curieuze voorwerpen en ouderwetse meubelen (de broer van Marie-Louise was er in het begin van de Anschluss in geslaagd om een wagonlading spullen uit het ouderlijke huis naar Nederland te sturen, inclusief haar achtergelaten schilderijen). Toen Diana vroeg of ze wat werk van Marie-Louise mocht zien, werd ze meegetroond naar de slaapkamer met een enorme ingebouwde kast. De kast stond vol met schilderijen. Diana zag er een paar en… I was stunned. Werk dat gemakkelijk op één lijn kon staan met dat van Beckmann en Kokoschka. De schrik sloeg Athill om het hart: wat moet je met al die schilderijen in een slaapkamerkast? En dan te denken dat dit de schuld was van Canetti en moeder Henriette! Both were cannibals, schrijft Athill, Canetti because of self-importance, her mother because of dependence. Marie-Louise kon geen vijf minuten de deur uitgaan of haar moeder begon te jammeren: Wat moet ik doen als ik doodga terwijl je weg bent??? De schilderijen van de oude moeder behoren overigens tot het mooiste en ontroerendste werk.

 


Moeder Henriette Von Motesiczky

Het is goed gekomen. Vlak na het bezoek van Athill kreeg ze haar grote tentoonstelling in Wenen, mede door van Athill’s connecties gebruik te maken. Werk kwam in verschillende musea terecht (waaronder het Stedelijk Museum te Amsterdam en de Tate Gallery) en Motesinczky’s naam is inmiddels gevestigd.

 

illustraties
Diana Athill, bron, van het omslag van Instead of a Book. Letters to a Friend, uitgegeven door Granta, London, 2012
De andere illustraties zijn afkomstig uit Marie Louise Von Motesiczky, 1906 // 1996, uitgegeven door Prestel, Munich etc

 

 

 

By |2019-02-05T14:03:25+00:00dinsdag 5 februari 2019|Categories: Blog|Tags: , , , |Reacties uitgeschakeld voor Athill en de schilderes