Kan een vertaling ooit beter worden dan het origineel? In sommige opzichten denk ik van wel. Je bent als vertaler altijd een beetje geneigd de auteur te helpen — als hij twee keer in een zin zonder noodzaak hetzelfde woord gebruikt maak je er iets anders van, als hij zich vergist in zijn beschrijvingen probeer je het te verdoezelen. Als vertaler bekijk je een tekst beter dan wie ook en uiteindelijk wil jij er niet op worden aangekeken als er kromme zinnen of rare woorden op papier verschijnen.

Soms heb je het gevoel dat je een tekst alleen maar minder kunt maken. Bij voorbeeld omdat het Nederlands ontoereikend lijkt om virtuoos proza (of poëzie) om te zetten. Het overkwam me toen ik voor een select gezelschap een inleiding hield over de roman Light Years van de Amerikaanse schrijver James Salter. In het voorwoord tot een recente editie van dit boek (Penguin Modern Classics, 2007) beschrijft collega-schrijver Richard Ford hoe het zit met Salter: hij is een meester in zijn vak, zijn woordkeus, zinsbouw en beeldspraak zijn een genot. Een geniaal auteur.

Ik had een lijst voorbeelden opgeschreven om die beeldspraak te laten doordringen. The city is a cathedral of possessions; its scent is dreams. In het boek wordt deze frase gebruikt voor New York City, maar eigenlijk is iedere stad ermee getypeerd. Precies goed. His wife was in the last years of her youth. She was like a beautiful dinner left out overnight (…) Her cheeks had begun to quiver when she walked. De hoofdpersoon Viri, architect, leest iedere avond zijn dochters voor en hoopt dat zij daar wijs van zullen worden: And he reads to them, as he does every night, as if watering them, as if turning the earth at their feet.

Adembenemend, vanwege de originaliteit, ook vanwege de toon en het ritme. Hoe maak je daar ooit Nederlands van dat net zo’n kracht en schoonheid uitstraalt? Paradoxaal genoeg zou je Salters tekst misschien als inspriratiebron moeten gebruiken om met een vrije vertaling te komen die helemaal op volmaakt, fraai Nederlands is gericht. Onmogelijk natuurlijk.

Ik betoogde dat al in de eerste alinea de zaden lagen verborgen waar de rest van het boek uit ontkiemt. De passage slaat op de Hudson-rivier, waar de protagonisten van de roman wonen en die Salter in het echte leven intiem heeft leren kennen toen hij zijn militaire opleiding kreeg aan de beroemde West Point Militaire Academie.

We dash the black river, its flats smooth as stone. Not a ship, not a dinghy, not one cry of white. The water lies broken, cracked from the wind. This great estuary is wide, endless. The river is brakish, blue with the cold. It passes beneath us blurring. The sea birds hang above it, they wheel, disappear. We flash the wide river, a dream of the past.

Ik deed mijn best mijn toehoorders ook in het Nederlands te laten horen dat dit een briljant begin van deze aangrijpende roman is: Viri zal op het eind van het boek de rivier inlopen. Zelfmoord.

‘We schieten langs de zwarte rivier, de oevers glad als steen. Geen schip, geen bootje, zelfs geen streepje wit. Het water is verstoord, gebroken door de wind. De grandioze stroom is breed en eindeloos. Het water brak, blauw van de kou. Het stroomt onder ons weg, vervaagt. De zeevogels hangen er boven, ze slaan met hun vleugels, verdwijnen. We zien de brede rivier in een flits, een droom uit het verleden’.

Dit is maar de helft van de alinea. Om een idee te geven. Zelfs als mijn vertaling van de strekking de toets der kritiek zou kunnen doorstaan, dan nog mis je de klanken en het tempo. Salter schrijft poëzie, als vertaler kom je altijd tekort, vrees ik.