Historicus Peter Barton moet zich af en toe gevoeld hebben als een mol. Hij heeft jaren onder de grond rondgekropen om zijn materiaal te verzamelen — claustrofobie! Over zijn werk is de BBC-documentaire The Somme. Secret Tunnel Wars gemaakt. In het kader van de Eerste Wereldoorlog-herdenkingen heb ik hem onlangs gezien. Een spectaculaire onderneming gericht op een van de grootste rampen voor het Britse leger die zich tijdens deze oorlog hebben voorgedaan: de mislukte poging om een doorbraak te forceren in de Duitse linies bij La Boiselle, in Picardië. De climax vond plaats tijdens de laatste dagen van juni 1916, met name in de vroege ochtend van 1 juli. Hell on Earth.

barton

 

 

 

 

 

 

De Duitsers en Fransen lagen in patstelling tegenover elkaar, zoals langs het hele front. Er tussenin een smalle strook niemandsland. Statische oorlog. Zo’n situatie roept om de voortzetting van het slagveld met andere middelen — ondergrondse tunnels waarmee de vijand benaderd kan worden en met explosieven bestookt. Het niemandsland werd één groot kraterveld door de ontploffing van zware bommen en naarmate het kraterveld zich uitbreidde, moesten de linies zich terugtrekken. De Fransen hielden het niet langer en moesten worden afgelost door verse Britse troepen. Infanteriesoldaten in de loopgraven werden soms hysterisch van angst bij de gedachte dat ze letterlijk en figuurlijk door de vijand werden ondermijnd. Eind 1915 arriveerde het roemruchte, Schotse Black Watch-regiment in La Boiselle. De bestaande Franse tunnels leken nergens naar, er was behoefte aan volwaardige military mining. Al was het alleen maar vanwege de enorme behoefte aan water; normaal woonden er in het gebied een paar duizend mensen, nu lagen er honderdduizenden soldaten in stelling, er moest op grote diepte naar water worden gezocht: zonder water geen oorlog.

 

 

 

 

 

 

 

Na veel wikken en wegen besloot het Britse High Command in zee te gaan met een nieuwe eenheid, de Tunnelling Company. Lord Kitchener vroeg ondernemer, miljonair en militair John Norton-Griffiths als organisator. Hij stond bekend als Empire Jack, vurig voorvechter van het Britse imperialisme. Norton-Griffiths had een succesvolle onderneming — Griffiths & Co — die onder andere in Manchester een gloednieuw rioleringsstelsel had aangelegd. Hij werkte met ‘clay-kickers’, graafspecialisten voor kleibodems. ‘Zijn’ mannen groeven minstens acht meter tunnel per dag, terwijl tot dan toe twee meter per dag zo’n beetje het maximum werd geacht. In een paar dagen tijd werden zijn beste kleigravers naar Frankrijk ingescheept, zonder militaire ervaring of training — de legerleiding was als de dood dat er vakbondsleden bij zouden zitten, of erger nog: Schotse vakbondsleden. Norton-Griffiths zélf ging poolshoogte nemen in zijn gebutste Rolls-Royce, volgeladen met de beste wijnen en de duurste whiskey. Voor de kalkstenen ondergrond werden later professionele mijnwerkers ingeschakeld. Het grote probleem van ondergrondse werkzaamheden was het geluid, er moest in doodse stilte worden gegraven omdat de vijand je anders zou kunnen lokaliseren en opblazen.

Door het archeologische werk van Peter Barton weten we nu gedetailleerd wat zich ondergronds heeft afgespeeld, de gangen bleken nog goeddeels in tact, compleet met gebruiksvoorwerpen, graffiti, beschuttingen en … geraamten. De duizenden mannen die daar gewerkt hebben zijn op een enkele uitzondering na allemaal anoniem gebleven, maar het werk dat ze tot stand brachten, is ontzagwekkend. Barton heeft laten zien dat er een heel vervoerssysteem is aangelegd om het puin af te voeren, compleet met voetsteunen om je af te zetten als de wagentjes naar boven moesten worden geduwd. Als ‘verklikkers’ werden soms bakken water gebruikt: aan de trilingen kon je zien of er in de buurt gegraven werd. Op regelmatige afstand werden luisterposten ingericht, waar mensen urenlang probeerden om geluiden op te vangen en te duiden. Met de geophone kon je tot op drie tot zes meter horen. Je moest altijd onder de vijand zien te komen, zodat je zijn tunnels van beneden af kon belagen; er werd daarom soms tot op vijfentwintig meter diepte gegraven.

norton-griffiths

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Alle werkzaamheden waren erop gericht dat eind juni 1916 de Duitse mitrailleurnesten opgeblazen werden, zodat de Britse troepen via het niemandsland konden oprukken naar de vijandelijke loopgraven. De legerleiding had er weinig vertrouwen in en stelde de datum een keer uit, maar uiteindelijk was alles gereed: er lagen in sommige ‘mijnkamers’ dertig ton explosieven opgeslagen. Het uur U werd uiteindelijk vastgesteld op 1 juli ’s ochtends om half acht. De Duitsers wisten dat er iets ging komen, maar niet wanneer precies. De avond vóór de grote slag telefoneerde er iemand onder de grond. Hij sloot het gesprek af met: Good luck tomorrow morning. Via het Duitse Moritz-systeem werd het gesprek opgevangen en de vijand wist dus wat er te doen stond. In allerijl werden de mitrailleurs op andere plekken opgesteld. De explosies vonden twee minuten voor de afgesproken tijd plaats en richtten een onvoorstelbare ravage aan, reusachtige kraters, loopgraven weggevaagd. De infanterie rukte op, maar werd genadeloos neergemaaid door de nieuwe Duitse mitrailleurnesten, die op kniehoogte stonden afgesteld. Duizenden en nog een duizenden vonden de dood, de gewonden waren niet te tellen.

 

 

 

 

 

 

 

Maandenlang ondergronds ploeteren; kilometers lange gangen; ragfijn handwerk, uitgevoerd in doodse stilte. In één oorverdovende klap alles de lucht in. Voor niets.