Bruut

Bunkers als inspiratiebron voor architecten? De gedachte is al eens uitvoerig onderzocht door de Franse filosoof Paul Virioli, die een grondige studie maakte van de vijftienduizend bunkers en andere verdedigingswerken die de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog hadden gebouwd als onderdeel van hun Atlantische Muur. Hij begon in de vroege jaren zestig een architectenbureau met Claude Parent, Architecture Principe; de roemruchte kerk in Nevers is van hun hand, een bunker zoals je er zelden een gezien hebt. Virioli ontwikkelde een ‘oorlogsmodel’ voor de stedenbouw en noemde zich ‘dromoloog’ vanwege zijn veronderstelde expertise op het gebied van de snelheid. Maar ook andere architecten omarmden de stijl: de grote voorgangers Corbusier en Mies van der Rohe hadden de weg naar de nieuwe bunkerbouw geplaveid en dus waren er overal slaafse volgelingen. Vanwege hun voorkeur voor ruw beton, béton brut, werd de beweging aangeduid als het Brutalisme, of ook wel het Nieuwe Brutalisme — waarbij de vraag natuurlijk is: wat was dan het Oude Brutalisme?

Viriolikerk

Kerk in Nevers – ontworpen door Architecture Principe

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In de BBC-documentaire Bunkers, Brutalism, and Bloodymindedness, uitgezonden op 16 februari 2014, houdt presentator Jonathan Meade een vurig pleidooi voor deze architectuur, die hij behalve als ‘bloodyminded’ karakteriseert als ‘bold’ en ‘brave’. Je moet als kijker voorzichtig zijn bij programma’s met Meade, want hij spreekt alsof hij een ingewikkeld academisch essay uit zijn hoofd heeft geleerd; de helft van de woorden ken je niet (dat geldt ook native speakers) en je wordt bedolven onder een dikke laag tussenzinnen, beeldspraak en bijvoeglijke naamwoorden. Het is nooit: ‘de zon schijnt’ — voor een simpele mededeling als deze heeft de presentator minstens een pagina nodig. ’t Heeft wel iets geestigs en het is trouwens mooi om te horen, vooral als je de ogen sluit. Maar dan mis je natuurlijk de bijbehorende beelden. En die zijn prachtig. Meade betoogt dat het brutalisme van de jaren zestig en zeventig grote overeenkomsten heeeft met Victoriaanse architectuur uit de jaren 1860-’80: niet zozeer in vorm als wel in ‘stemming’, mood. Het was een architectuur met guts, net zoals de literatuur en schilderkunst uit die tijd: kunst hoefde niet pretty te zijn, maar moest  verontrusten. Die kwaliteiten zijn opnieuw onder de aandacht gebracht in de jaren 1950, toen dichter John Betjeman en architectuurhistoricus Nikolaus Pevsner zorgden voor een herleving van de aandacht voor die periode; ze richtten, met anderen, in 1957 de Victorian Society op.

Het brutalisme heeft ‘vleugels’ gegeven aan beton, aldus Meade, maar ditzelfde beton kreeg in dezelfde tijd bij het grote publiek een beroerde naam — in Groot-Brittanië niet in de laatste plaats door de pastorale Prins Charles en zijn scheldpartijen op de moderne bouwkunst: concrete monstrosities, zoals hij nieuwe gebouwen in Londen en andere steden herhaaldelijk betitelde. Het ‘beton’ kreeg (en krijgt) van alles de schuld, Meade noemt een lange lijst: verslaving, alcoholisme, winkeldiefstal, pedofilie, bijstandsfraude, incest, oorlog en kannibalisme.

Azuma House

Brutalisme in Tokyo: Azuma House

Het grote bezwaar dat tegen de betonnen scheppingen van het brutalisme wordt ingebracht, is dat de bouwwerken niet ‘mooi’ zijn; ‘maar’, werpt Meade tegen, ‘sinds wanneer moeten gebouwen mooi zijn? Wie bepaalt dat? Kunst heeft nog veel andere kwaliteiten die van belang zijn en, ten slotte, je onthoudt een nachtmerrie uiteindelijk beter dan een zoete droom waarin je wegzweeft’. Ook de natuur is lang niet altijd ‘mooi’.

Het opmerkelijke element uit Meade’s betoog is, denk ik, dat hij sterke nadruk legt op de directe relatie tussen de bunkerbouw onder het Nationaal-Socialisme en het brutalisme in de moderne architectuur: van de oorlog naar de koude oorlog is maar een stap, zegt hij. Hij laat opmerkelijke vormovereenkomsten zien tussen Corbusier en Friedrich Tamms. De laatste heeft de uit Wenen, Berlijn en Hamburg bekende Flaktürme op zijn naam staan — in de oorlog ontworpen onder speciaal toezicht van Albert Speer en Adolf Hitler persoonlijk.

Hier en daar staan ze nog als stille getuigen van een Duizendjarig Rijk dat nauwelijks een decennium heeft standgehouden. Het ging om torens die overal bovenuit staken omdat op het dak naar alle kanten luchtafweer stond opgesteld, Dora-kanonnen die meer dan 25 ton per stuk wogen — de fundering moest onverwoestbaar zijn. De muren waren drie meter dik, en binnenin waren meer dan vijf verdiepingen met voorraden, ziekenboegen en schuilkelders voor duizenden mensen. Tamms sprak liefdevol over zijn ‘artillerie-kathedralen’. De torens waren bedoeld om de vijand af te schrikken, in de praktijk werd de eigen bevolking geïntimideerd, op grote schaal was er van dwangarbeid gebruik gemaakt om ze neer te kunnen zetten. Speer’s ambitie was om ‘ruïnes voor de toekomst’ te bouwen, met de ‘Flaktürme’ van Tamms heeft hij zijn doel ruimschoots bereikt. Dat hij een jaar of twintig later een modernistische stroming in de architectuur heeft geïnspireerd, zal hem wellicht verbaasd hebben.

Friedrich Tamms verbaasde zich niet zo snel, denk ik. Hij heeft na de oorlog zijn activiteiten als architect onverminderd voortgezet, specialist in grote publieke objecten, zoals bruggen, stations, ziekenhuizen. Hij werkte zich op tot stadsarchitect van Düsseldorf en zal ongewtijfeld veel profijt hebben kunnen trekken uit zijn oorlogservaringen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

By |2017-01-20T17:05:42+00:00maandag 17 februari 2014|Categories: Blog|Tags: , , , , , , , |Reacties uitgeschakeld voor Bruut