Over het verband tussen macht en jacht is vast al vaak en verstandig nagedacht. Nooit door mij, geef ik meteen toe. Ik stuitte op het fenomeen toen ik onlangs een bescheiden (literatuur-) onderzoekje deed naar de geschiedenis van de Indiase inheemse vorstendommen; met name het afschaffen van deze feodale schijnvertoning—de woorden zijn van de eerste Indiase premier Jawaharlal (‘Pandit’) Nehru—als onderdeel van de onafhankelijkheid in augustus 1947. Ik had over dit onderwerp een bijdrage beloofd voor het komende decembernummer van De Republikein. Toen ik me bezighield met het leven in de honderden koninkrijken en koninkrijkjes, bleek me keer op keer dat jachtpartijen een centrale plaats innamen. De Maharaja’s, Nawabs en Nizams waren bezeten van de jacht en de Britse koloniale hoogwaardigheidsbekleders deden er maar al te graag aan mee. In de periode van de East India Company, de Britse evenknie van de Nederlandse VOC, lagen de grenzen van al die vorstendommen nauwelijks vast. De onderlinge relaties werden gekenmerkt door wantrouwen en afgunst, landjepik en oorlogen waren, bij wijze van spreken, aan de orde van de dag. Een voorbeeld is het oprukken van de Maratha’s onder Shivaji. Hij wist zelfs de Mogolkeizers zenuwachtig te maken. Ze stuurden niet alleen hun generaals op hem af maar zetten ook eigen vazalstaten op om Shivaji’s veroveringszucht af te remmen. Oudh was zo’n staat, de naam afgeleid van de heilige stad Ayodhya.

Nadat in 1857 de zogenaamde Muiterij was uitgebroken, waarbij de Britse aanwezigheid op het subcontinent serieus gevaar liep, schoof de Britse kroon de East India Company opzij en riep de gebieden onder Brits gezag uit tot een dominion van het Britse rijk. Even later werd, ter bezegeling van de nieuwe situatie, koningin Victoria uitgeroepen tot keizerin van India. De inheemse vorstendommen, die bijna het helft van het totale grondgebied en 30 à 40% van de bevolking omvatten, zouden  hun onafhankelijkheid behouden. In ruil voor de erkenning van de Britse oppermacht, paramountcy, konden de vorsten rekenen op bescherming en erkenning van hun identiteit. Ze hoefden geen oorlog meer te voeren, de onderlinge verhoudingen werden ‘bevroren’. Daar zaten tal van haken en ogen aan, maar dat is iets voor een andere bijdrage. In het genoemde stuk voor De Republikein ga ik er uitvoeriger op in.

In de literatuur kom je dikwijls tegen dat de Britse bescherming, het wegvallen van de noodzaak om onderlinge oorlogen te voeren, de weg vrijmaakte voor het extravagante gedrag van veel inheemse vorsten. Een soort van compensatie dus. De gedachte wordt zuiver onder woorden gebracht door de Indiase schrijver Mulk Raj Anand, die beroemd is geworden door boeken als Coolie, Untouchable en Across the Black Waters, maar die in 1953 ook een roman over de Indiase adel schreef: Private Life of an India Prince. De verteller, een kritische, jonge hofdignitaris, vat de toestand van de gekroonde hoofden bondig samen. Ever since the time when in the Augean stables of these robbers-turned-kings no chariots were harnessed for war, ever since they could not go and conquer each other’s territories because the borders of their kingdoms had been fixed for ever by special treaties with Her Britannic Majesty, Qeen Victoria, these princelings had not much to do (….) except to set about to achieve the only other conquests left to them, the conquests over women, the easiest victories in our hapless country where the place of women was still governed by Manu Smriti and the Hindu Mitakshra Law. De theorie van ‘compensatiegedrag’ is wijdverspreid, niet alleen onder leken, maar ook onder min of meer serieuze beoefenaren van de wetenschap—ik herinner me zulke noties uit de sociologie, politicologie en criminologie. Het mag overtuigend klinken, maar ik heb nog nooit een fatsoenlijke toetsing gezien.

Wat Anand zijn personage laat zeggen over womanizing, kom je ook vaak tegen als het om ander gedrag gaat. Ik heb het niet precies geturfd, maar ik herinner me zaken als de aanschaf van dure, nutteloze voorwerpen, de bouw van exorbitante paleizen, het maken van extreem kostbare wereldreizen, het leegkopen van dure warenhuizen en ook: de jacht. In Lucy Moore’s fraaie studie over een paar generaties Indiase prinsessen—Maharanis. The Lives and Times of Three Generations of Indian Princesses—staat de volgende, bijna terloopse opmerking: The rulers of both British India and princely India were united by their shared obsessions with hunting and sport, their peacetime substitutes for warfare. Niet toevallig, denk ik, dat grote deskundigen als Charles Allen of Andrew Robinson, ruim aandacht besteden aan sport en jacht.

 


Prinses Gayatri Devi (schilderij)

Gayatri Devi, Maharani van Jaipur, voert in haar mémoires haar grootvader op, de koning van Cooch Behar. De lezer moet goed weten uit welk hout zij gesneden is, niet van de straat. Geen woord over de aard van zijn koningschap, zijn eventuele intellectuele verworvenheden of belezenheid. Nee. Het gaat over zijn game book: daarin kun je precies vinden hoeveel dieren hij doodgeschoten heeft in de bossen van Cooch Behar en Assam over een periode van 37 jaar: honderden tijgers, bizons, luipaarden, neushoorns, buffels, beren, herten. Zélf schoot ze haar eerste tijger toen ze zeven was. Charles Allen citeert uit een opvoedingsgids voor koningen van Maharaja Madhav Rao: kinderen van beide geslachten moeten eens per week mee op jacht genomen worden en als ze iets ouder zijn moeten ze minstens een paar weken per jaar op tijgerjacht. Het schieten van de eerste tijger of panter had iets van een initiatieritueel, zegt Allen: an accomplishment that left a feeling of great exhilaration. Rond hun tiende jaar moeten talrijke kinderen dat gevoel hebben ervaren. De jonge Nawab van Pataudi vertelde aan Allen dat hij werd getroost door de Nawab van Bhopal toen zijn vader overleed: wat wil je voor je verjaardag, had de Nawab gevraagd. So I said, ‘I’d like to shoot a tiger’ – and that was what he gave me as an brithday present at the age of twelve.

 


Iqbar Mohammed Khan van Palanpur (14 jaar) met zijn eerste tijger

Jachtpartijen (shikars) waren hoogtepunten in het seizoen. Lucy Moore vertelt over een expeditie in Cooch Behar uit 1891—de overeenkomsten met een jachtpartij in Oudh, vijftig jaar eerder in detail beschreven door William Knighton, zijn treffend. De weg naar Assam was speciaal voor deze partij aangelegd (Knighton laat zien hoe daartoe onderweg willekeurig dorpelingen werden geronseld). Voor iedere gast was er een spediale tent, met genoeg ruimte voor kleedkamers, bureaus, zitbanken, bedden en kledingkasten. Naast ieder bed stond een particuliere tent om te baden. Er gingen bijna vijfhonderd bedienden mee: olifantenbegeleiders, stalknechten, taxidermisten, bootsmannen, tafelbedienden, tuinlieden, koks en een orkest van veertig man. De jacht duurde vijf weken, iedere ochtend kregen de Britse gasten eieren met bacon geserveerd terwijl de jachtmeester kwam vertellen waar ze die dag een tijger zouden gaan schieten. Er was een grote keuze aan schiettuig: van zware olifantengeweren tot lichte pauwenbuksen.

Compensatiegedrag? Ach ja, wie weet, maar toch ook een positieve manifestatie van onaantastbaarheid: wie doet ons wat. Vertoon van macht en rijkdom. Niet te vergeten: een uitgelezen gelegenheid voor het arrangeren van ontmoetingen, zakendoen, oplossen van conflicten, vormen van vriendschappen. Menselijk gedrag is zelden maar één enkel ding tegelijk.

 

illustraties
Iqbal Mohammed Khan; bron: Charles Allen, Lives of the Indian Princes. London (Century) 1984
Prinses Gayatri Devi; bron: A Princess Remembers. The Memoirs of the Maharani of Jaipur, by Gayatri Devi of Jaipur. Delhi (Rupa) 1995
Wazid Ali Shah van Oudh; bron: pinterest