Copyrightkwesties zijn van belang in het licht van de vrijheid van meningsuiting, zoals bij het vrijgeven van Mein Kampf. Op 31 december 2015 verliep het auteursrecht en nu is het werk in principe voor iedereen toegankelijk. Uit voorzorg tegen mogelijk misbruik komt er een Duitse wetenschappelijke uitgave op de markt met duizenden voetnoten die duidelijk moeten maken wat een minkukel de schrijver was en hoe hij loog, bedroog en stookte. Tja, heeft dat enige zin of is het gewoon politieke correctheid? Ik kan me van jaren terug uit India herinneren dat kleine jochies Mein Kampf aan automobilisten probeerden te verkopen bij het rode stoplicht, samen met de levensgeschiedenis van Bill Gates en glossy magazines over binnenhuisarchitectuur—een bestseller was het niet.

Bij de controverse over een ander document dat direct verbonden is met de Tweede Wereldoorlog, het nagelaten werk van Anne Frank, gaat het niet om het beschermen van onze gevoelige geesten tegen fascistische ophitserij maar om een ander soort slijk der aarde: poen. Oud-medewerker van het NIOD, David Barnouw, legt in de krant (NRC Handelsblad 5 januari 2016) de achtergronden uit. De Amsterdamse rechtbank gaf de Anne Frank Stichting onlangs toestemming om alle teksten van Anne Frank te kopiëren. De Stichting was door de houders van het copyright—het Anne Frank Fonds te Bazel—op de vingers getikt en voor de rechter gesleept. Ook hier houdt het auteursrecht op, de geldigheidsduur is in principe zeventig jaar. Maar door allerlei trucs kun je de periode verlengen, bij voorbeeld door het uitbrengen van een nieuwe ‘geautoriseerde’ editie, waardoor er weer een verse periode van auteursbescherming aanbreekt. Voor sommige copyrighthouders is dat van levensbelang—speciaal als het gaat om geschriften die jaarlijks flinke bedragen opbrengen; het dagboek van Anne Frank is door zijn enorme oplage en tientallen vertalingen een onuitputtelijke melkkoe. Waarom zou je dat vrijgeven?

Vrijgeven is trouwens precies wat Barnouw bepleit–laat alle claims vallen en geef de teksten van Anne vrij, nu en voor altijd, schrijft hij, geheel in de geest van Otto Frank die de idealen van zijn dochter aan de wereld wilde nalaten. Maar juist de bemoeienis van de vader is een complicerende factor in de hele affaire. Anne had verschillende versies van haar dagboek gemaakt en vader Otto combineerde deze tot het boek zoals dit uiteindelijk in 1947 op de markt kwam. Later, in 1986, werden de onderscheiden schrijfsels beide gepubliceerd door het NIOD en werd officieel vastgesteld dat Anne Frank de auteur was geweest. Een nieuwe uitgave verscheen in 1991 met alle teksten van Anne, niet alleen die van het Achterhuis, verzorgd door redacteur Mirjam Pressler en uitgegeven door het Bazelse Anne Frank Fonds. Het Fonds dacht hiermee een mooie slag te slaan—men ging ervan uit dat het copyright hiermee met nog eens zeventig jaar kon worden verlengd. Later werd nog ingebracht dat Otto Franks redigeerwerk zo ingrijpend was geweest dat hij daarmee een eigen auteursrecht had verworven—al met al zou het fonds tot 2050 de vruchten kunnen plukken van wat ooit aan de Prinsengracht door een verborgen tienermeisje genoteerd was in een poëziealbum en een paar schoolschriftjes.

Ingewikkeld. Maar het is kinderspel vergeleken bij sommige andere gevallen. Ik moest denken aan het onontwarbare gedoe rond de auteursrechten van James Joyce voor zijn befaamde Ulysses. Het boek verscheen, zoals bekend, in 1922, maar was daarvoor al gedeeltelijk gepubliceerd in verschillende tijdschriften, zowel in de Verenigde Staten als Europa. Steeds was er sprake van afwijkende versies, bovendien hadden allerlei mensen eigen exemplaren die hun door de auteur waren toegestuurd. Wat was de ‘echte’ tekst? Ezra Pound is een voorbeeld: hij was vertrouwensman van Joyce en fungeerde een beetje als literair agent die diens teksten probeerde te slijten. Ze waren op doorslagpapier getypt en Pound kreeg de bovenste twee bladen toegestuurd, waarop Joyce aanwijzingen en correcties had aangebracht. De derde kopie bleef bij Joyce. De publicatiegeschiedenis in de tijdschriften is chaotisch. Ulysses gold bij vele als een smerig boek en hier en daar moest worden gecensureerd om de stukken gepubliceerd te krijgen—drukkers weigerden soms aan bepaalde passages mee te werken.

Het is vrijwel ondoenlijk alle eerdere versies van Ulysses te achterhalen, laat staan vast te stellen welke de juiste moet zijn: Joyce bleef tot het laatste moment aan het boek schaven en schrijven. De typistes waren niet al te zorgvuldig, er verschenen fouten en verschrijvingen in de manuscripten die aanleiding waren tot weer nieuwe aanvullingen. Joyce was bovendien een slechte corrector van z’n eigen werk. Het was lange tijd onzeker of het boek in z’n geheel ooit zou verschijnen en zo ja, waar. Uiteindelijk bleek Ulysses noch in Groot-Brittannië, noch in de Verenigde Staten te kunnen worden gepubliceerd en kwam het terecht bij Sylvia Beach in Parijs. Niemand had de ‘definitieve’ copij, de teksten waren over de hele wereld verspreid en Beach moest het doen met de ongecorrigeerde derde kopie—de enige versie die nog ‘compleet’ was. Joyce ging in het voorjaar van 1921 fanatiek aan het werk om de schone kopij zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met wat al The Little Review was verschenen. Hij volgde niet zijn eigen oorspronkelijke manuscript; het is trouwens maar de vraag of hij daarover nog kon beschikken.

Toen het auteursrecht dreigde af te lopen, heeft de Joyce Estate alles in het werk gesteld om een nieuwe versie van Ulysses op de markt te brengen—de periode kon dan weer voor decennia worden verlengd. De ‘gecorrigeerde tekst’ (1986) werd verzorgd door Hans Walter Gabler, in samenwerking met Wolfhard Steppe en Claus Melchior, docenten Engels aan Duitse universiteiten. Het realiseren van deze ‘geautoriseerde’ versie is een onoverzichtelijk tranendal geworden en een onverkwikkelijk strijdtoneel van ruzie en reputatieschade. Joyce zelf was toen uiteraard al overleden; zijn directe erfgenaam, Giorgio’s zoon Stephen James, was vooral uit op geld. De deskundige konden niet eens vaststellen volgens welk nationaal recht het copyright geregeld moest worden: Joyce heeft het boek voor een deel in Frankrijk geschreven, woonde in Parijs, maar ook in Zwitserland (waar hij begraven is), was geboren in het Ierland dat nog niet onafhankelijk was en dat hem net zozeer minachtte en verafschuwde als omgekeerd.

Voordat de Gabler-versie op de markt kwam, circuleerden er bij de uitgever, begeleidingscommissie en andere belanghebbenden al uitvoerige lijsten met evidente fouten en slordigheden, maar de trein reed en was niet meer te stoppen. Het onverkwikkelijke verhaal is onder andere na te lezen in The Scandal of Ulysses, geschreven door Bruce Arnold (London, Sinclair-Stevenson Ltd, 1991). Het auteursrecht is zwaar bevochten, maar in de praktijk blijkt dat als het er op aankomt, de auteur zelf uit het zicht verdwenen is. Voor hem, over hem, zonder hem.

 

illustraties
Anne Frank; bron:www.buffalonews.com
James Joyce; bron: latimesblogs.latimes.com