Zijn Amerikaanse negers alleen maar de schepping van blanken, of hebben ze zichzelf gevormd uit wat ze om zich heen aantroffen? Deze vraag wordt met duidelijke instemming geciteerd door Stephan Sanders in Het voorbeeld van de Caraïben, zijn Cola Debrot-lezing die onlangs werd afgedrukt in De Groene Amsterdammer (1 maart 2018). Het citaat stamt uit Invisible Man van Ralph Ellison. Ik heb het in mijn studententijd ook gelezen, maar dit citaat herinner ik me niet. Ik kan me nog wel ongeveer voorstellen uit welke gemoedsgesteldheid het is opgeborreld: wat heeft de slavernij aangericht onder de culturele erfenis van Afrikanen die in de Nieuwe Wereld terechtkwamen? Hebben ze nog iets van zichzelf of hebben ze alles opnieuw moeten opbouwen? En is daar iets origineels bij of hebben ze het allemaal ontleend aan de slavenhouders? Om het in termen van Sanders te zeggen: bleef er voor de zwarte Amerikanen slechts een marionettenspel over, waarbij zij aan de touwtjes hingen van witte meesters? Door alles te verklaren uit witte overheersing, aldus Sanders, ontneem je Afrikaans-Amerikanen, Afro-Caraïbischen en Afro-Europeanen alle creativiteit en vindingrijkheid die hun leven heeft vormgegeven.

Een boeiend vraagstuk, maar niet voor het eerst aan de orde gesteld: er zijn bibliotheken over volgeschreven, met name in de Verenigde Staten. Is er sprake van een nieuwe urgentie vanwege de racismediscussie die de laatste tijd weer lijkt te zijn opgelaaid? Het heeft er de schijn van, want Sanders sluit zijn betoog af met enkele opmerkingen over de Nederlandse situatie. In het racismedebat, beweert hij, bestaat nog steeds een morele meerderheid van welwillenden, maar die meerderheid is kwetsbaar en beïnvloedbaar. Het inzicht in onze eigen geschiedenis en die van de ‘ander’ zou ons morele kompas moeten bepalen, daarmee kunnen we die welwillendheid misschien in stand houden in plaats van tenietdoen. Het klinkt hoogdravend, een beetje domineesachtig, maar ik heb geen flauw idee hoe Sanders aan zijn overtuiging komt: waar komt die ‘meerderheid van welwillenden’ vandaan? Uit empirische onderzoeksresultaten of een dikke duim? Afgezien daarvan biedt de Cola Debrot-lezing nauwelijks enig inzicht in welke geschiedenis dan ook, laat staan dat je zou kunnen bepalen welke ‘onze’ geschiedenis is of die van de ander.

Als ik het goed begrepen heb, houdt Sanders zijn toehoorders en lezers een nieuw type mens voor, en dat type is met name te vinden in Suriname ‘en elders’, zoals hij zegt. Het gaat om de creool, wat in zijn ogen gemengdheid betekent, een versmelting van verschillende culturen (….) met als essentie dat het niet tot een enkele essentie kan worden teruggebracht. Er is een ramp gebeurd, zegt Sanders, maar daaruit is een nieuw gemengd volk ontstaan, een nieuw begin gemaakt. Hij is zelf in Nederland opgevoed, een beschermd milieu, en verbaast zich over die onontwarbare vermenging: over hoe zwart met bruin en zwart met blank mengde (…) maar ook: hoe hindoe en Javaan mengde, en inheems met creool en marron, en creool eigenlijk met alles en iedereen, inclusief Chinees, Libanees en Buru, en hoe alles op smaak is gebracht met een stevige dosis joods. In Suriname (‘en elders’) bestaat geen ideaaltype dat staat voor het nationale geheel. Van huis uit kan iedereen er thuis horen. Aldus nog steeds Sanders.

 


Versmelting van kleuren en culturen

Ik geef uitvoerig weer wat hij heeft opgeschreven omdat ik niet altijd begrijp wat hij nu precies bedoelt. Is Suriname (‘en elders’) zo bijzonder in dit opzicht? Bestaat er in Nederland wél een ‘ideaaltype’ dat staat voor het nationale geheel? Of in India? Zuid-Afrika? En hoe thuis kun  je in Suriname horen? Een van de weinige concrete voorbeelden die Sanders geeft, is afkomstig van zijn eerste bezoek aan Paramaribo: hij bestelt beleefd een glas bier in de bar van een hotel en wordt vervolgens door zowel het personeel als de overige klanten luidkeels uitgelachen. Hij sprak vermoedelijk te netjes. Zó makkelijk mengt alles en iedereen zich blijkbaar niet.

Creool houdt in dat je ‘zwart’ niet kunt onderscheiden van wit of bruin, zegt Sanders. Zou hij dat echt geloven? Ik kan me uit de relevante literatuur herinneren dat deze kwestie in werkelijkheid een stuk ingewikkelder is. In Black Metropolis, een klassieke studie over de zwarten van Chicago door St Clair Drake en Horace Cayton—warm aanbevolen en ingeleid door Richard Wright—is een hoofdstuk opgenomen over The Measure of Man: huidskleur is daarin een centraal onderwerp. Ik besef dat het boek in allerlei opzichten ‘bejaard’ is, maar sommige inzichten blijven actueel, ook al zijn de details in de loop der jaren misschien iets veranderd. Bovendien is dit geen studie van Suriname, maar wél van ‘elders’, maar ja, ook Sanders haalt zijn wijsheden uit Amerikaanse literatuur. Blanken die belangstelling hebben voor het lot van zwarten, zeggen de auteurs, zijn soms geschokt over de vele onderscheidingen die negers onderling maken. Een dan komt er een zin die ik voor alle duidelijkheid letterlijk overneem:

Most disconcerting are color distinctions — the lines that Negroes draw between black and ‘light’, ‘fair’ and brown-skinned.

Kleurgevoeligheid is wijdverbreid, sommige mensen zijn color-struck, anderen zijn partial to color, terwijl velen zich juist schamen voor hun kleur: zowel pikzwarte mensen als lichtgekleurden. Veel zwarte ouders hopen op kinderen die smooth-brown zijn, daar tussenin dus. De auteurs citeren een moeder van vijf kinderen: drie van mijn kinderen hebben decent light-brown skins, maar twee zijn er donkerbruin. The Lord in Heaven knows that I love them all dearly, but He also knows that I wish the two dark ones were lighter. Toch is kleur niet altijd doorslaggevend, aldus de auteurs, het belang neemt af naarmate inkomen en onderwijs in belang toenemen. A very dark woman may find her skin-color a handicap in getting the man she wants, but it is no bar to her being accepted by the community as a brilliant, useful, and admirable woman. Over de versmelting van culturen en een nieuw type mens lees je niet in Black Metropolis.

 


St Clair Drake: color-struck?

Je zou het belang van die kleuronderscheidingen voor een deel kunnen toeschrijven aan ‘koloniale’ verhoudingen of aan de plantage-economie waar de maatschappelijke bovenlaag de superioriteit van de witte huidskleur met kracht handhaafde. Maar zoals Sanders ook al onderstreepte: de zwarte cultuur is geen passief product van een witte beschaving, maar is een eigen, creatieve aanpassing aan de ‘nieuwe’ omstandigheden. Sommige geleerden verklaarden de zwarte cultuur met verwijzingen naar de slavernij. Typische kenmerken: de matrifocale gezinsstructuur, de ‘passagierende mannen’, het relatief geringe aantal officiële huwelijken en de instabiliteit van de man-vrouwverhouding. Anderen wezen juist op de Afrikaanse erfenis, meegenomen naar de Nieuwe Wereld. Melville Herskovits, bekend van zijn The Myth of the Negro Past, was daar de bekendste exponent van—mede op grond van zijn uitvoerige onderzoek in Suriname (‘en elders’).


Melville Herskovits, Afrikaanse toestanden

Ik krijg de indruk dat Stephan Sanders die traditie van onderzoek niet kent—overigens moeilijk voorstelbaar van iemand als hij, die sociale wetenschappen gestudeerd heeft aan de Universiteit van Amsterdam. Een groot deel van zijn overwegingen ligt daar voor het grijpen, hij had zijn probleemstelling een stuk scherper kunnen formuleren en laten aansluiten op lang geleden verworven inzichten. Maar misschien maak ik het te ingewikkeld: hij wilde vermoedelijk gewoon het wiel nog eens uitvinden.

 

illestraties
Stephan Sanders; bron: vn.nl
Melville Herskovits; bron: librarynwuniversity.com
Schoolklas met zwarte kinderen; bron: civilrightsteaching.org
St Clair Drake; bron: rulibrary.typopad.com