Welke bij bestuift jouw aardbei? Welk type slaper ben jij? Hoe geniaal is je hond? Hoe divers is de Nederlandstalige literatuur? Curieuze vragen, zonder samenhang. Toch staan ze bijeen in een duidelijk verband: in België is een beweging opgekomen voor de deelname van gewone burgers aan wetenschappelijke onderzoeksprojecten. Citizen science, oftewel iedereen wetenschapper. Sinds kort ook in Nederland, onder auspiciën van de KNAW.

Bovenstaande vragen komen van de Belgische website. Onder iedere vraag staat IK DOE MEE en als je daarop klikt krijg je nadere informatie over de aard en het doel van het project en je eigen bijdrage. Ik klikte op een project waarbij je kunt meehelpen dat vogels zich niet dood vliegen tegen objecten en kreeg de volgende toelichting:

Meer dan 170.000 vogels vliegen zich in België jaarlijks te pletter tegen hoogspanningsleidingen. En jij kan daar iets aan doen.

Wat ga je doen?

Zie je tijdens een wandeling of een autorit een gewonde of dode vogel liggen onder een hoogspanningsleiding, dan meld je die aan Natuurpunt. Dat doe je door te surfen naar de website waarnemingen.be. Je registreert jezelf als waarnemer en klikt op ‘waarneming invoeren’, waarbij je in het veld ‘gedrag’ kiest voor de optie ‘hoogspanningsleidingsslachtoffer’. 

Waarom doe je mee?

Dankzij de meldingen kan Natuurpunt het aantal slachtoffers in kaart brengen. Nu al is duidelijk dat het er veel zijn: tussen de 170.000 en 500.000 per jaar in België. Maar hoeveel het er precies zijn en waar het meeste slachtoffers vallen, kan helpen om er iets aan te doen. Natuurpunt kan met de grootste knelpunten naar de hoogspanningsnetbeheerder stappen en mogelijke oplossingen afdwingen.

Wie kan meedoen?

Iedereen die in Vlaanderen woont of er geregeld komt. 

Zo simpel is het dus om mee te doen aan de wetenschap.

Een dag of wat geleden stond er een stuk in de krant over diverse projecten in Nederland. Mijn oog viel op Netlake: metingen van ontbindend plantmateriaal. Een paar Wageningse onderzoekers hebben theezakjes met rooibos en groene thee in het water van een aantal meren neergelaten. De zakjes worden na verloop van tijd weer opgedoken, gedroogd en geanalyseerd. De resultaten zeggen iets over de opnamecapaciteit van het water en dat geeft weer uitsluitsel over broeikasgassen. Een amateurduiker, die zich als ‘burgeronderzoeker’ had opgegeven, viste de zakjes op uit het diepste deel van de Vinkeveense plassen. Wetenschap kan leuk en aardig zijn. Ik heb ooit Wageningse onderzoekers bezig gezien in het oerwoud van Ivoorkust, waar ze met ingenieus bewerkte pingpongballetjes probeerden kalkafzettingen te achterhalen. Ik begreep niet veel van de diepere betekenis, maar ik had meteen mee willen doen. En nu ik toch bezig ben—een Wageningse onderzoeker deed van zich spreken nadat hij de aarde van Mars had nagemaakt om te zien of daar iets op kan groeien. Geen aardappelen, begreep ik, maar wel genoeg andere spullen om hele maaltijden van te bereiden. Ik haal Wageningse voorbeelden aan omdat Wageningen nu eenmaal verreweg de beste technische universiteit in Nederland is, maar er zouden uiteraard andere voorbeelden gevonden kunnen worden.

Het inschakelen van leken bij wetenschappelijk onderzoek is oud als de weg naar Rome, zeker in ‘toegankelijke’ projecten uit de sfeer van de sociale wetenschappen. Ik heb ooit buitenstaanders ingeschakeld bij een onderzoek naar brieven: ik had onafhankelijke oordelen nodig over de aard van die correspondentie. Leerzaam, want iedereen kijkt op zijn eigen manier en wijst op aspecten die je zelf misschien niet zou zien. Veel antropologen die in exotische buitenlanden hebben gewerkt, bedanken hun ‘tolken’ of ‘informanten’ voor de onmisbare steun om de inheemse cultuur beter te begrijpen. In de Khroumirie, een bergachtig gebied in Noordwest- Tunesië, waar ik onderzoek deed naar het verwantschapsstelsel, zou ik het zonder tolk nooit hebben kunnen redden, denk ik. Tijdens mijn onderzoek in het zuiden van Frankrijk, migratie en toerisme, steunde ik op de scherpe inzichten van een ambtenaar van de departementale landbouwdienst. In de Alblasserwaard betrok ik jongens en meisjes bij een onderzoek naar krantenarchieven.

Maar iedereen wetenschapper gaat wat formeler en grootschaliger te werk. Het intitiatief herinnert me aan de beweging van de Mass-Observation die eind jaren dertig in Engeland van de grond kwam. De initiatiefnemers, waaronder Tom Harrisson, Humphrey Jennings en Charles Madge, meenden een nieuwe wetenschap te hebben uitgevonden: de studie van het alledaagse leven van gewone mensen aan de hand van dagboeken, observaties, verslagen die door de ‘onderzochten’ zélf waren vervaardigd. Een weerkaart van de stemmingen in het land. Je zou op grond van deze benadering de gevoelens kunnen testen over de opzienbarende kroning van George VI die in 1937 zijn broer koning-keizer Edward VIII opvolgde na het schandaal met Wallis Simpson. Maar ook de oorlogsstemming in het land tijdens de opkomst van Hitler en de merkwaardige capriolen van premier Neville Chamberlain. Het bleef niet bij dramatische staatkundige incidenten, het ging de onderzoekers in eerste instantie om belangrijke aspecten van het leven van alledag. Hoe gedragen mensen zich bij oorlogsmonumenten, was een van de eerste vragen, en: kreten en gebaren van automobilisten; het verschijnsel van voetbalweddenschappen; gedrag op het toilet; baarden, oksels en wenkbrauwen; antisemitisme; de verspreiding van de schuine grap; begrafenissen en begrafenisondernemers; het persoonlijke leven van vroedvrouwen.

 

 

Tussen 1937 en 1945 ontvingen de initiatiefnemers, die om principiële redenen geen onderscheid maakten tussen onderzoekers en onderzochten, vele honderden dagrapporten en andere documenten. Ieder detail was interessant: met welke kant van de sigaret werd op tafel getikt voordat hij werd aangestoken (meer dan de helft nam dat aangetikte eind in de mond), hoe fantaseerden vrouwen over wraak tijdens de oorlog (Hitler in mootjes gehakt, zijn enkels afgezaagd, met koekenpannen de grond instampen), het aantal nachtelijke vrijpartijen op het strand van Blackpool in de vakantieperiode.

 

 

Tom Harrisson dook onder in de fabrieksstad Bolton en werkte daar als fabrieksarbeider, vrachtwagenchauffeur, winkelbediende en ijsverkoper. Hij had medewerkers die hij iedere ochtend met nieuwe opdrachten op pad stuurde, waaronder de fotograaf Humphrey Spender: hoe houden mensen elkaars hand vast, hoeveel suikerklontjes stoppen ze in hun mond als ze theedrinken, wat stelen mensen uit cafés en restaurants behalve lucifers, lepels, papier? Ze moesten hoedenspelden tellen, lijstjes maken van wat er in de kerk gezongen werd. Spender bezocht openbare toiletten om te fotograferen hoe mannen stonden te plassen. Het resultaat van al dit werk verscheen in 1943: The Pub and the People.

Het project is gestikt onder het gewicht van informatie waarmee je geen kant op kon. Een duidelijke probleemstelling ontbrak en de antropoloog Raymond Firth, beroemd vanwege zijn ‘klassieke’ We the Tikopia over de verwantschapsbetrekkingen op de Solomon eilanden, maakte gehakt van de gebruikte methodes. Maar dit iedereen wetenschapper-project spreekt nog steeds tot de verbeelding en is af en toe opnieuw tot leven gekomen. Vermoedelijk vanwege het enthousiasme dat het teweegbracht bij gewone mensen die op deze manier de kans kregen om wat meer greep op hun levensomstandigheden te krijgen. Je zou het de iedereen wetenschapper-projecten van harte toewensen.

 

illustraties:
Vinkeveens plassen; foto: Lodewijk Brunt (copyright)
Foto’s van Humphrey Spender in Bolton; copyright: Bolton Council