Nog dagelijks kunnen we de naschokken voelen van de H.J. Schoolezing door minister Edith Schippers, waarover ik eerder op deze plaats een paar opmerkingen maakte. Interviews, beschouwingen, columns, de woorden van de minister blijken een onuitputtelijke bron van bewondering en inspiratie. Maar niet alleen. De juriste en publiciste Roxane van Iperen reageerde dezer dagen op z’n minst nogal ambivalent (NRC Handelsblad, 20 september 2016). Ze wees op het opportunisme van Schippers, of misschien moet je het hypocrisie noemen. Wat de VVD bij monde van haar vertegenwoordigers streng afkeurt in Nederland, namelijk dat zich hier groeperingen ophouden die het op ‘onze vrijheid’ hebben gemunt, wordt zonder blikken of blozen getolereerd als het gaat om de internationale betrekkingen waarin dat land verwikkeld is. Salafisten in Nederland wordt het licht in de ogen niet gegund, maar de warme vriendschap met Saoedi-Arabië wordt gevierd, liefst met Koninklijke bezoekjes. Mensenrechten zijn heilig voor ons, zegt Van Iperen, maar voor een migratiedeal met Turkije knijpen we graag een oogje toe; andere deals met Afrikaanse dictators zijn in de maak. Volgens de schrijfster een typische uiting van de Shell-mentaliteit. Cultuurrelativisme, met andere woorden, is exportmiddel nr. 1.

Het begrip cultuurrelativisme maakt inderdaad furore in bepaalde politieke kringen, de lezing van minister Schippers stond ook in dat teken: het wordt beschouwd als een verderfelijke notie waar je niet hard genoeg tegenaan kunt schoppen. Zelden kom je te weten wat het begrip precies inhoudt, behalve een vaag idee dat alle culturen zo’n beetje gelijkwaardig zouden zijn. En dat is natuurlijk niets voor de VVD: de Nederlandse cultuur staat niet gelijk aan andere culturen maar is beter, misschien wel de allerbeste van de wereld. Van Iperen is ook geen cultuurrelativist, meent ze, ze vindt het een lui uitgangspunt. Volgens haar houdt het cultuurrelativisme in dat objectieve waarheid en geloof gelijk zijn, waardoor iedere notie van vooruitgang geblokkeerd zou worden. Is het werkelijk?

Het cultuurrelativisme heeft in de ontwikkeling van de antropologie als academische discipline altijd een belangrijke rol gespeeld. Je zou verschillende aspecten aan het begrip kunnen onderscheiden. Ten eerste de gedachte dat iemands stelsel van waarden en normen voortkomt uit zijn of haar specifieke ervaringen: waarden en normen zijn aangeleerd, verworven. Deze waarden en normen verschillen, noodzakelijkerwijs, per samenleving. Mensen groeien immers op in uiteenlopende omstandigheden. Dit impliceert dat voor een juist begrip normen en waarden bezien moeten worden vanuit het perspectief van de samenleving in kwestie. Er bestaan nu eenmaal geen ‘overkoepelende’ waarden en normen—harde, objectieve maatstaven—van waaruit je afzonderlijke waardestelsels zou kunnen waarderen. Me dunkt, dat is toch iets anders dan wat Van Iperen zegt.

De antropologische benadering van cultuur houdt direct verband met de omstandigheden waaronder de eerste generaties onderzoekers werkten: de beginstadia van het (Westerse) imperialisme. De koloniale machthebbers waren geïnteresseerd in de uitbreiding van hun invloedssfeer, iedere hindernis die ze op hun weg tegenkwamen werd met meedogenloze hand verpletterd. Daartoe was soms kennis van de ‘tegenpartij’ van eminent belang en antropologen kregen de opdracht om de volken en stammen te bestuderen die onderworpen moesten worden. In het beste geval, want maar al te vaak ging de knoet er meteen overheen, de tweede helft van de negentiende eeuw en de eerste helft van de twintigste eeuw vormden een periode van langdurige, bloedige, koloniale oorlogen. De Atjeh-oorlog die van 1873 tot 1914 op Sumatra woedde, is er een berucht voorbeeld van. Antropologen lieten zien dat de inheemse culturen wel degelijk ook hun eigen waarde hadden. Wat in Westerse, imperialistische ogen als ‘primitief’ en ‘goddeloos’ gold, had een eigen logica en moest vanuit de deelnemers van de betreffende cultuur worden begrepen.

 

 

Het doel van de etnograaf is om het standpunt van de inboorling te begrijpen, zijn betrekking tot het bestaan, te beseffen wat zijn visie op zijn wereld is. In iedere cultuur zijn de waarden een beetje verschillend: mensen zijn uit op verschillende doelstellingen, volgen verschillende impulsen, zijn op zoek naar verschillende vormen van geluk. In iedere cultuur vinden we verschillende instellingen waarmee mensen hun belangen najagen, verschillende gewoonten waarmee hij zijn dromen realiseert, verschillende wetten en morele uitgangspunten die zijn deugden belonen of zijn tekortkomingen straffen. Aan het woord is Bronislaw Malinowski, door velen gezien als ‘de’ grondlegger van de moderne antropologie, in zijn magistrale studie over het eilandenrijk voor de kust van Nieuw Guinea: Argonauts of the Western Pacific (1922). Geen spoor van een poging om de ‘objectieve waarheid’ en het ‘geloof’ van Van Iperen aan elkaar gelijk te stellen, maar een ambitieus programma van onderzoek. Door zulk onderzoek ontdekken antropologen dat er in de wereld talloze alternatieve werkelijkheden bestaan en dat er niet één zaligmakend en bepalend is. De ‘relativerende’ benaderingen van het vak hebben niet de opzet om aan te tonen dat alle culturen gelijk zijn, maar om te laten zien dat mensen hun bestaan op uiteenlopende manieren inrichten, op basis van uiteenlopende definities over hoe de wereld in elkaar zit. Deze benadering gaat in tegen het etnocentrisme, de gedachte dat je eigen cultuur de maat van alle dingen is; de gebedsmolen van Wilders, Schippers en de VVD. Als we zoeken naar luie uitgangspunten, Mevrouw Van Iperen… dáár heb je er een.

 

 

Hoe verklaar je de slechte schoolprestaties van kinderen uit etnische minderheden? Juist: culturele deprivatie, gebrek aan ambitie, weerstand tegen waarden als vrijheid en zelfontplooiing. Ik zag het voorbeeld onlangs weer eens voorbijkomen. Maar antropologen vertellen een ander verhaal. De ‘gedepriveerde’ scholieren beschikken over uitgewerkte, vaak elegante aanpassingsstrategieën om het hoofd boven water te houden in hun vijandige omgeving. Hun waarden hebben niet veel met die van de school te maken, het is waar, maar ze redden zich met hun eigen straattaal, hun eigen gebruiken en gewoonten. ‘Gedepriveerd’ wil met andere woorden zeggen: ze gaan niet uit van ‘onze waarden’ en spreken geen Haags jargon. Ze deugen niet… volgens ‘onze’ maatstaven.

Cultuurrelativisme is ‘wegkijken’, zegt Roxane van Iperen, maar ze vergist zich deerlijk. Niet cultuurrelativisme maar etnocentrisme is wegkijken, erger, etnocentrisme maakt blind.

 

illustraties
Roxane van Iperen; bron: www.youtube.com en www.bd.nl
Bronislaw Malinowski; bron: www.biography.com