Charles Dickens schreef zijn Oliver Twist op het eind van de jaren 1830, een paar jaar na de grote cholera-epidemie van 1832. Net als in andere steden van Europa—Parijs, Berlijn, Amsterdam, Glasgow, Edinburgh—leidde deze vijand zonder gezicht tot aanvallen van paniek: niemand wist precies waar de ziekte vandaan kwam en wat je ertegen kon doen. De Aziatische buikloop, zoals de cholera ook wel werd aangeduid, sloeg vooral toe in de stad, waar mensen dicht op elkaar woonden en de hygiënische situatie veel te wensen overliet. Wie het zich kon permitteren, vluchtte de stad uit. Het aantal doden per 1000 inwoners bedroeg in Parijs ruim vijftig, in Hongarije zelfs meer dan zestig, in steden als Dublin en Stockholm tussen de dertig en veertig, in Amsterdam en Londen niet veel meer dan vijf of zes, overigens nog altijd vele tientallen, respectievelijk honderden.

In de beschrijvingen van Dickens klinkt beduchtheid door, misschien wel angst: de volstrekte verloedering van de buurten waar de cholera het hardst had toegeslagen. Dat geldt in sterkste mate voor Jacob’s Island, waarheen de moordenaar Bill Sikes is gevlucht in de hoop aan zijn achtervolgers te kunnen ontsnappen. Het ‘eiland’ is omgeven door een modderige sloot  van zo’n twee meter diep en vijf meter breed, afhankelijk van het getij, een zijarm van de Thames. Iemand kan vanaf de houten bruggen over de sloot zien hoe aan de achterkant van de huizen emmers, pannen, potten en ander huisraad worden gebruikt om water op te halen via het raam of de achterdeur. De bouwsels zelf hebben houten galerijen met gaten waardoor je zicht hebt op het modderige slijm daaronder. De ramen zijn gebroken en aan de stokken die naar buiten steken, kun je de was ophangen, als je die tenminste hebt. De kamertjes zijn klein, smerig en benauwd en zelfs de lucht is aangetast door de viezigheid. Aangebouwde kamertjes steken uit boven de sloot en zien eruit alsof ze ieder moment omlaag kunnen storten, wat in sommige gevallen trouwens ook gebeurd is. De muren zijn aangetast en de funderingen zijn verrot. Every repulsive lineament of poverty, every loathsome indication of filth, rot, and garbage, all these ornament the banks of the ditch.

 


Bill Sikes op Jacob’s Island

Op Jacob’s Island staan de voormalige pakhuizen en fabrieken leeg, de daken zijn verdwenen, de muren brokkelen af, ramen zijn gaten in de muur geworden, de deuren vallen uit hun lijsten, de schoorstenen zijn pikzwart maar produceren geen rook meer. Nog maar kort geleden was dit een bloeiend gebied, nu is alles desolaat. De eigenaren hebben hun gebouwen onbeheerd achtergelaten, wie er naar binnen gaat heeft veel moed nodig om hier te leven en te sterven. They must have powerful motives for a secret residence, or be reduced to a destitute condition indeed, who seek refuge in Jacob’s Island.

In zo’n toestand vind je een onontwarbare verknoping van armoede, ziekte, uitzichtloosheid en… criminaliteit. Er komen passages voor in Oliver Twist die doen vermoeden dat mensen en menselijk gedrag de producten zouden zijn van genen en aanleg. De auteur zegt in zijn voorwoord bij voorbeeld, dat een boef als Sikes dóór en dóór slecht is; he would not give, by the action of a moment, the faintest indication of a better nature. En, vervolgt Dickens: I fear there are in the world some insensible and callous natures, that do become utterly and incurably bad. Toch laat hij er weinig twijfel over bestaan dat (grote en kleine) misdadigers vooral worden gemaakt door de omstandigheden en dan met name slechte huisvesting en gebrek aan fatsoenlijk onderwijs. Om die reden waarschuwt hij de lezer om zich niet in de luren te laten leggen door romantische opvattingen over een crimineel bestaan. Hij wijst op de vrolijke Beggar’s Opera van John Gay waarin dieven en andere criminelen een onbezorgd leventje leiden, een bestaan om jaloers op te worden. Een roverhoofdman kan iedereen naar zijn pijpen laten dansen en heeft de beschikking over een oneindig aanbod van leuke meiden… tja, dat willen we allemaal wel.

 


Fagin in de dodencel

Maar het echte leven van dieven en inbrekers, of in het geval van Oliver Twist: straatrovers en zakkenrollers, heeft niets met mooie kleren en dure interieurs te maken. The cold wet shelterless midnight streets of London; the foul and frowsy dens, where vice is closely packed and lacks the room to turn; the haunts of hunger and disease; the shabby rags that scarcely hold together; where are the attractions of these things? Bij collega-journalist en schrijver Henry Mayhew, die net als Dickens zijn reportages in bladen als Punch en de Morning Chronicle publiceerde, zie je eenzelfde soort benadering, maar nog een stuk beter doordacht. Mayhew probeerde als een rechtgeaard wetenschapsman (hij was chemicus) een doorwochte analyse te maken van London Labour and the London Poor en ging daarbij veel systematischer te werk dan Dickens, die eerder zijn gevoel en instinct liet spreken.

 


Mayhew, de analyst

Mayhew brengt pickpockets, zoals de bende van Fagin, onder bij een algemene categorie ‘criminelen’: behalve de zakkenroller ook de gewone dief, de inbreker en de highway robber, die in zijn ‘stal’ meestal ook een aantal prostituées heeft. Mayhew wijst erop dat er in een stad als Londen vele duizenden jongeren zijn die in een of andere vorm van criminaliteit terechtkomen—door opvoeding of een slechte omgeving. Ook bij hem de overtuiging dat boeven worden gemaakt, niet geboren. Hij laat zien dat jeugdige zakkenrollers inderdaad graag zakdoeken stelen, de belangrijkste bezigheid van de ‘jongens’ van heler Fagin uit Oliver Twist. De Londense economie is uiteraard in de eerste helft van de negentiende eeuw nog grotendeels een economie van lucifers, tweedehands kleding, sigaretten, knopen, appels. Waarom zakdoeken? Ten eerste bestaat er een levendige (straat-) handel in (tweedehands-) zakdoeken, maar wie een (kleine) voorraad zakdoeken heeft, verschaft zich daarmee een alibi om als een reizende koopman de deuren langs te gaan en dat op zichzelf biedt tal van mogelijkheden voor andere vormen van diefstal. Kinderen worden ook gebruikt door inbrekers als afleiding of als ‘instrumenten’ om huizen binnen te komen (Oliver Twist wordt op die manier gebruikt door Bill Sikes). Overigens staat zakkenrollerij op de laagste trap van waardering in de criminele wereld en jongetjes van dertien, veertien jaar kijken uit naar vormen van criminaliteit met meer aanzien; en met de leeftijd stijgt ook de behoefte aan zelfstandiger optreden en zich te distantiëren van een typische groepsactiviteit als zakkenrollerij.

Dickens en Mayhew schreven hun verhandelingen over criminaliteit zo’n honderd zeventig jaar geleden, maar het is opmerkelijk dat hun ‘verklaringen’ nog steeds doorklinken als je het oor te luisteren legt in je omgeving. Nog altijd vragen mensen zich af of een misdadiger geboren of gemaakt wordt, veel ingewikkelder is het doorgaans niet. En voortdurend opnieuw moet je je realiseren hoe beperkt die vragen zijn. Als de omstandigheden voor al die duizenden jonge kinderen hetzelfde zijn en even slecht, hoe verklaar je dan dat sommigen wél in de criminaliteit terechtkomen en anderen niet?

 

illustraties
illustraties uit Oliver Twist door George Cruickshank
Henry Mayhew uit London Labour and the London Poor