Marc Chavannes vergelijkt de omzwervingen van Joris Luyendijk in de Londense City – een bundeling van zijn verkenningen van de financiële wereld voor The Guardian – met Margaret Meads onderzoek op Samoa in de vroege jaren twintig van de vorige eeuw (NRC Handelsblad, 20 februari 2015). De recensent bedoelt het ongetwijfeld als compliment, maar zo’n aanprijzing is riskant. Mead trok er als jonge onderzoekster op uit, ze verdiepte zich in de vrouwelijke adolescentieperiode. Hoe gingen meisjes in andere culturen om met puberteit en seksualiteit? Was dat daar ook zo problematisch als ‘thuis’? Hoe werden ze opgevoed? Waren de verschillen een kwestie van aanleg of van socialisatie, nature of nurture?

 

De onderzoekster was zelf nog nauwelijks de puberteit ontgroeid – ze was net in de twintig toen ze zich vestigde op ‘haar’ eiland, waar ze negen maanden zou blijven. ‘Ook Luyendijk trok de jungle in’, schrijft Chavannes parmantig. Wat een romantiek! Toch zijn van Mead alleen foto’s bekend van genoeglijke onderonsjes met jonge meisjes aan het strand – veel palmbomen en een rustig kabbelende zee. Misschien is ze wel een keer de jungle ingetrokken, maar zeker niet om zich daar met gevaar voor lijf en leden aan de wetenschap te wijden! Ze woonde tijdens haar speurwerk bij een Engels apothekersgezin en had een gerieflijke kamer waar ze zich in alle rust kon terugtrekken om haar notities uit te werken. Haar professor, Franz Boas, had haar aangeraden om onderzoek te doen onder (gepacificeerde) Amerikaanse Indianen. Lekker dicht bij huis. Hij verzette zich met hand en tand tegen haar drieste plannen om naar een afgelegen eiland in de Stille Zuidzee te gaan. Uiteindelijk gaf hij toestemming, maar alléén als ze zich in een oord zou vestigen waar op z’n minst om de paar dagen een schip aanmeerde.

Hoewel Coming of Age in Samoa (1928) een absolute bestseller werd, nadat de afzonderlijke hoofdstukken in afleveringen waren verschenen in Ladies Home Journal, volgde ook al spoedig kritiek – van vakgenoten. Ze had de taal nooit goed geleerd waardoor ze allerlei zaken slecht begrepen had en op cruciale punten had ze zich met een kluitje in het riet laten sturen. Ernstiger was haar vooringenomenheid: ze ‘bewees’ dat de puberteit niet de zorgwekkende Sturm und Drangperiode hoeft te zijn die het in de opgefokte Westerse samenlevingen dikwijls is. Haar eigen adolescentieproblematiek geprojecteerd op de inboorlingen van een afgelegen archipel!

Op haar idyllische eiland werden jonge meisjes vrijgelaten om naar believen te experimenteren met relaties en seks, ontdekte ze, en er was dus geen spoor van spanningen en generatieproblemen! Niet verbazend dat haar ‘lessen’ gretig ingang vonden bij de progressieve gemeenten in de Verenigde Staten en Europa – zij liet immers zien dat een ‘antiautoritaire opvoeding’ dé oplossing voor zo’n beetje al onze problemen kon betekenen. Dr Benjamin Spock schreef zijn immens populaire opvoedingsevangelies – geheel en al in de geest van Mead. In de jaren zestig, toen er over de hele wereld een generatiestrijd leek los te barsten, werd Mead de adviseur van regeringen en presidenten. Hoezeer haar visie door haar eigen preoccupaties in plaats van de werkelijke situatie op de Stille Zuidzee-eilanden werd bepaald, kwam nog eens genadeloos aan het licht in het werk van Derek Freeman: Margaret Mead and Samoa en later The Fateful Hoaxing of Margaret Mead. Ze had zich, inderdaad, noodlottig om de tuin laten leiden.

 

Laten we hopen dat Joris Luyendijk dit lot niet getroffen heeft.

Chavannes heeft goede bedoelingen, geen misverstand mogelijk. Hij is vol lof over Luyendijks werk. Ik sluit me daar trouwens graag bij aan, maar ik verbaas me over de manier waarop Chavannes het boek en zijn personages weergeeft in zijn bespreking, die maar liefst twee volle pagina’s beslaat. Hij spreekt over Luyendijks analyse van het ‘financiële dierenrijk’ en komt vervolgens met zo’n overmacht aan voorbeelden aanzetten dat je als eenvoudige krantenlezer de weg na een alinea bent kwijtgeraakt. Verdwaald in de London Zoo. Bankiers zouden zichzelf als wolven, tijgers of hyena’s zien, Chavannes gooit er schildpadden tussendoor en wijst verder nog op mieren, springbokken, bevers. Ook waakhonden passeren de revue. Verder vallen aanduidingen als ‘zeepbelbankiers’, ‘tandenknarsers’, ‘neutralen’, categorieën die zich in de ‘darwiniaanse (sic) financiële jungle’, vol ‘tribale groepsvormen’, zouden bevinden. Wie heeft er nu nog zin om het boek van Luyendijk op te pakken?

Curieus, die opsomming. Wie bankiers als wolven of hyena’s beschouwt, kan ze moeilijk tegelijkertijd of bij wijze van afwisseling ook als tijgers zien. De eerste twee soorten handelen in groepsverband, tijgers zijn eenlingen en roepen totaal andere associaties op. Uit de context valt niet op te maken dat een dergelijk onderscheid correspondeert met de werkelijkheid van de financiële wereld. Hoe zou dat moeten? De combinatie met schildpadden lijkt me alleen te rechtvaardigen in een fabel van La Fontaine. Hetzelfde met mieren, springbokken en bevers: er is geen dimensie denkbaar waarin deze op een hoopje bij elkaar zouden passen. Behalve misschien de meest algemene… het zijn allemaal dieren. Over de waakhonden zwijg ik maar.

Dat je soorten werk zou kunnen typeren aan de hand van dierlijk gedrag is overigens al vaker gedaan en soms is dat verhelderend. Ik denk aan Gerald Mars, een ‘echte’ antropoloog, die ooit een prachtig boek schreef over de verschillende soorten criminaliteit die je treft in de werkplaats: Cheats at Work (1982). Hij onderscheidt twee dimensies bij de indeling van verschillende beroepen: group en grid, ruwweg overeenstemmend met de wijze waarop het werk is georganiseerd en de manieren waarop je het (alleen of met anderen) uitvoert. Je kunt een strikte organisatie hebben, zoals bij de kassajuffrouwen van de supermarkt, terwijl het onderlinge verband in de groep uiterst zwak is: ze staan onder toezicht, maar hebben nauwelijks kans om tijdens het werk meer dan oppervlakkig contact met elkaar te hebben. Aan de andere kant heb je beroepen waarbij iemand zélf tot op grote hoogte kan bepalen hoe hij of zij zijn of haar dag indeelt, wat hij of zij doet, en op welke manier.

In beroepen met autonomie wordt concurrentie en individueel initiatief hogelijk gewaardeerd, de beloningen zijn navenant: in zulke beroepen heb je meer controle over anderen dan anderen over jou – ondernemerschap en ruimte voor creativiteit, daar gaat het om. Dit zijn volgens Mars typische ‘havikberoepen’: managers van grote ondernemingen, eigenaren van familiebedrijven, geslaagde academici, succesvolle verkopers, onafhankelijke professionals. Maar ook aan de ‘onderkant’ van de samenleving vind je zulke beroepen: zelfstandige taxichauffeurs, kellners, straatmusici. Omdat er weinig onderling verband bestaat en veel concurrentie, vind je hier steeds wisselende coalities. Haviken werken in een sfeer van wantrouwen en daarin gedijen ze het beste.

Het lijkt me dat veel van de Londense Luyendijkbankiers in deze afdeling vallen. Bij de bankencrisis hebben we spectaculaire voorbeelden gezien van eigenzinnig handelen en prima donnagedrag. In de beroepen met een strikte organisatie en streng toezicht, maar een zwak beroepsverband – isolement en ondergeschiktheid zijn de kernbegrippen – vind je de ‘ezels’. Typisch voorbeeld: het negentiende eeuwse burgermansgezin met één dienstbode: geen contact met anderen, altijd onder toezicht. ‘Je kon nooit even zitten’, heb ik dikwijls gehoord van vrouwen die in hun jeugd dienstmeisjes waren bij boerenfamilies. Zelfs contacten buitenshuis werden nauwgezet gecontroleerd, in  de Alblasserwaard bij voorbeeld van welk kerkgenootschap je lid was. Maar als de druk te sterk wordt, heeft zo iemand nog een wapen achter de hand: diefstal, sabotage of werkgevers tegen elkaar uitspelen. Veel speelruimte is er niet –voor de hand liggender reacties zijn het zoeken van een andere betrekking en hoog ziekteverzuim.

Een sterke groepsgeest en een hechte organisatie vind je in traditionele teams van arbeiders: bouwvakkers, mijnwerkers, maar ook vliegtuigbemanningen, vuilnisophalers, brandweermannen. Er is sprake van een zekere onderlinge hiërarchie, maar de verschillende taken zijn sterk op elkaar afgestemd, in je eentje kun je niets beginnen. Er heerst een sterke groepsgeest, ‘wij’ tegen de rest. Zulke groepen kunnen lang bestaan, vooral als de rekrutering door coöptatie gebeurt, van moeder op dochter, vader op zoon, of buurtgenoot op buurtgenoot. We spreken over een ‘wolvenpak’.

 

Tenslotte de ‘gieren’: sterke groepsdimensie maar zwakke organisatie. Vrijheid van handelen, maar in het kader van een overkoepelende bureaucratische organisatie die de werknemers in groepen verdeeld. Samenwerking gebeurt alleen voor bepaalde doeleinden; zonder steun kun je niet, maar als je de kans krijgt, gaan je eigen belangen voor. Vertegenwoordigers, handelsreizigers, chauffeurleveranciers. George Clooney speelt zo iemand in Up in the Air (regisseur: Jason Reitman): hij reist voor een gespecialiseerd agentschap het land af om bij grote bedrijven ontslagen en bedrijfsorganisatie te regelen. Perfecte coördinatie van eigenbelang en de onmisbare steun van het bedrijf. Dit alles heeft dus niets te maken met karakter of persoonlijkheid, alles met de omstandigheden waardoor je als beroepsbeoefenaar gevormd wordt.

Het voordeel van zo’n indeling is dat je steeds vergelijkt op basis van dezelfde dimensies waardoor je het risico vermijdt om eenlingen en groepsleden, roofdieren en huisdieren, insecten en zoogdieren, vogels en vissen te verwarren. In de ogen van Chavannes lijkt de Londense City een bonte dierentuin waar alles door elkaar scharrelt – we hebben een Noach nodig om ze te ordenen. Hopelijk is dat Luyendijk beter gelukt dan zijn recensent.

 

illustraties
de jonge Margaret Mead; bron: www.biography.com
de hoax van Mead; bron: www.weirdrepublic.com
de jungle van Luyendijk; bron: www.independent.co.uk