Maakt het verschil of je iets leest of hoort dat verzonnen is of dat gebaseerd is op ‘feiten’? Ja. vermoedelijk is dat bij velen het geval. Een verhaal krijgt een extra dimensie als je weet dat het ontleend is aan de werkelijkheid; ‘waargebeurd’, zoals het dikwijls wordt aangeduid. Toch is de grens tussen waarheid en fictie niet altijd scherp te trekken. Op deze plaats heb ik af en toe aandacht besteed aan deze kwestie, onlangs nog in mijn bijdrage over de Amerikaanse journalist Joe Mitchell. David Remnick, de huidige hoofdredacteur van The New Yorker, het blad waarin Mitchell zoveel prachtstukken publiceerde, merkte op dat zulke stukken vandaag de dag niet ongeschonden in het blad zouden komen—voor de lezer is het volgens hem immers niet altijd duidelijk wat precies ‘feit’ is en wat ‘fictie’. Mitchell dikte vraaggesprekken in tot (soms lange) monologen en maakte composites van verschillende informanten.

Maar is zulke openheid mogelijk? Ik vrees dat we het tot op zekere hoogte altijd met een ‘benadering’ moeten doen. Vooral in de journalistiek komt het nogal eens voor dat de krant zijn bronnen anonimiseert, de informanten zouden misschien in morele of zelfs juridische problemen terechtkomen als iedereen wist wat ze allemaal tegen de journalist hadden gezegd. Maar journalisten houden hun bronnen ook voor zich uit overwegingen van concurrentie—uiteindelijk zijn kranten en andere media commerciële bedrijven die er geen belang bij hebben hun ‘bedrijfsgeheimen’ met anderen te delen.

Als het gaat om de ‘waarheid’ ben je aangewezen op de wetenschap, die is per definitie openbaar en belangeloos. Toch? Iedere academische onderzoeker dient zich te verantwoorden over de werkwijze, de bronnen die hij heeft gebruikt, de redeneringen die hij heeft gevolgd en de conclusies die hij heeft getrokken. In ieder academisch geschrift staan bronvermeldingen in de tekst en is een overzicht van de gebruikte literatuur opgenomen zodat iedereen die dat wil, precies kan natrekken hoe het beschreven onderzoek of de gedachtegang tot stand is gekomen. De vindplaatsen van de gebruikte archieven worden vermeld en de herkomst van het cijfermateriaal waarop statistische toetsen zijn uitgevoerd. Wetenschappelijk onderzoek is in hoge mate betrouwbaar, in de betekenis van ‘herhaalbaar’: iemand anders die het onderzoek opnieuw zou uitvoeren wordt geacht dezelfde uitkomsten te krijgen, de gevolgde procedures zijn immers gedetailleerd geboekstaafd.

Maar zo is het niet. Zeker niet in iedere tak van wetenschap. Mens- en maatschappijwetenschappen, bij voorbeeld, hebben te maken met soms ingrijpende maatschappelijke veranderingen waardoor de oorspronkelijke onderzoekssituatie niet meer gereproduceerd kan worden. De psychoanalyse van Sigmund Freud werd ontwikkeld aan de hand van ziektegevallen in de hogere bourgeoisie van Wenen, een sociale context die niet meer bestaat. De voorspellingen van Karl Marx over de omverwerping van het kapitalisme berustten op de (verhoopte) bewustwording van het fabrieksproletariaat; die constellatie is praktisch verdwenen in de diensteneconomie van het computertijdperk.

Sommige wetenschappen hebben naar hun aard weinig te bieden op het gebied van ‘harde gegevens’, ondubbelzinnige cijfers, spijkerharde conclusies. De betreffende onderzoekers zijn eerder afhankelijk van al dan niet intelligent giswerk, min of meer systematische indrukken, fingerspitzengefühl. Verstehen: aanvoelen, begrijpen, duiden. De beoordelaar van zulk onderzoek moet afgaan op de mate van plausibiliteit of levensechtheid. Hij zegt niet: ja, zó is het, maar: het zou zo kunnen zijn, misschien is het waar. In verschillende ‘zachte’ disciplines is een complete retoriek ontwikkeld om het vak toch een schijn van academische respectabiliteit te verschaffen, diepzinnige handboeken over ‘kwalitatieve methodologie’ of de filosofie van de ‘participerende observatie’. ‘Ach’, zei iemand ooit over zo’n boek, ‘het is nuttig omdat je er termen en begrippen in treft waarmee je buitenstaanders kunt intimideren’.

 

Richard Cobb met zoontje

 

Maar soms is zelfs plausibiliteit problematisch. Een dag of wat geleden bladerde ik door het werk van een van mijn favoriete historici, Richard Cobb. Een typische Oxford don, die in de jaren 1960 en 1970 furore maakte tijdens de opkomst van wat wel ‘geschiedenis van onderop’ werd genoemd. In het vak lag veel te veel nadruk op oorlogen, koningshuizen, officiële nationalistische gebeurtenissen en veel te weinig op het dagelijkse bestaan van gewone mensen. Vooral in Frankrijk begon een nieuwe wind te waaien met historici als Fernand Braudel, Emmanuel Leroy Ladurie, Georges Lefebvre, Albert Soboul en Richard Cobb, student van Lefebvre, bracht deze benadering naar Groot-Brittanië. Hij heeft een flink deel van zijn leven in Frankrijk doorgebracht, was twee keer gehuwd met een Franse vrouw en publiceerde zijn eerste werk in het Frans. Verdiepte zich in uiteenlopende onderwerpen, waaronder zijn briljante studie van streekliteratuur, reizende lieden, het leger, maar geldt nog steeds als één van de grootmeesters van de geschiedschrijving over de Franse Revolutie. Death in Paris, 1795-1801 is een meesterwerk: de analyse van de boekhouding die tijdens de Revolutie werd bijgehouden door een paar lagere ambtenaren in een bocht van de Seine. Precies daar spoelden de lijken aan van mensen die zich van een brug hadden gestort; zelfmoordgevallen. Wat voor mensen waren dat? Wat bewoog ze om zich te verdrinken op een plek die maar een paar honderd meter was verwijderd van de guillotine en de verschrikkingen van de burgeroorlog? Aan de hand van gegevens over de kleding en lichamelijke kenmerken reconstrueert Cobb de ‘onofficiële geschiedenis’ van de Franse Revolutie–one feels that there was a time and a place for everything: for dying, for being born, for courting, for getting married, for going to the fair, for getting drunk, for quarreling, for wife-beating, for picking pockets; and that this calender (…) owed nothing to the revolutionary period, indeed ignored it altogether.

Cobb wil mensen hun eigen verhaal laten vertellen. Zoals hij in het voorwoord van zijn magistrale The Police and the People zegt: Ik schrijf over mensen en niet over bewegingen; over houdingen, vooroordelen en mentaliteiten, niet over het denken. Het gewone volk is een gerespecteerd onderwerp voor historici geworden, vervolgt Cobb, maar le petit peuple slaan een gek figuur aan de borreltafels van de Universitaire gemeenschap, sociale geschiedenis is een leesvak, maar vooral ook een vak waarvoor je veel moet rondlopen en kijken. It is a subject that requires intimate knowledge of popular habits and motivations. Hoe kunnen historici die nooit honger hebben gehad iets begrijpen van armoede en honger bij gewone mensen en de woede die dezen voelen tegenover de rijken die zich volvreten?

 

 

Cobb heeft zich jarenlang verdiept in zijn onderwerp en zich de taal van het volk eigengemaakt, dit alles om de mensen om wie het gaat tot leven te wekken. En, zegt hij: als de bronnen tekortschieten… I have not been afraid to fall back on my own imagination and do some of the thinking of the petit peuple for them. U mag dat onwetenschappelijk vinden, vervolgt Cobb, maar het is in ieder geval niet arrogant, want I have lived with the sans-culottes of our day, even more with the habitants de garnis for a number of years, so that I do not think of them as strangers.

Wie kan beoordelen of Cobb’s onderzoeksresultaten ‘plausibel’ of ‘levensecht’ zijn? Zoals hij aangeeft: pas als je jarenlang in je onderwerp hebt ‘rondgelopen’ heb je recht van spreken. Pas als je de taal spreekt weet je waarover het gaat. Wie kan hem dat nazeggen? Zelfs volgens de zachtste maatstaven kun je nauwelijks nog spreken over een aanvaardbare ‘wetenschappelijke’ verantwoording. Ook Cobb zelf realiseert zich dat: perhaps I have taken too many liberties, certainly I have some fears for this half-way house of a study. Maar misschien is er toch nog een laatste stukje houvast om zijn soort onderzoek te kunnen beoordelen. Zoals Cobb zegt: I hope, at least, that it is not boring, for the people about whom I am writing were and are not.

 

illustratie
De pauper en de burger; bron: slideplayer.com
Richard Cobb; bron: