Giuseppe Tomasi di Lampedusa heeft de publicatie van Il Gattopardo niet meer meegemaakt. Enige tijd voor zijn dood in  1957 had hij diverse vergeefse pogingen ondernomen om een uitgever te vinden; hij heeft minstens twee afwijzingsbrieven onder ogen moeten zien. Toch was hij vol goede moed, zoals zijn adoptiefzoon Gioacchino Lanza Tomasi opmerkt in de inleiding tot de Nederlandse uitgave van 2015 (Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep): de schrijver was er vast van overtuigd dat zijn werk waardevol was. Het blijkt dat deze overtuiging door velen zou worden gedeeld, het boek is niet alleen met groot financieel en kritisch succes verfilmd door Luchino Visconti—Gouden Palm voor de regisseur en Oscar voor de aankleding—maar is ook in vele talen vertaald. Ik ken Nederlandse lezers die het boek tot hun absolute favorieten rekenen.

De tijgerkat is van hoog literair gehalte, al moet ik afgaan op de vertaling van Anthonie Kee; mijn oordeel wordt bevestigd door diverse vriendinnen die zowel het origineel als de vertaling uitstekend kunnen beoordelen.

Hij opende een van de ramen van het torentje. Het landschap toonde zich in al zijn schoonheid. De felle zon leek alles te verheffen tot gewichtloosheid: de zee, op de achtergrond, was een zuivere kleurvlek, de bergen die hem die nacht zo vreeswekkend waren voorgekomen, vol hinderlagen, leken nu massa’s van stoom op het punt van oplossen, en het grimmige Palermo zelf strekte zich bedaard uit rond de kloosters, als een kudde aan de voeten van zijn herdersDe zon, die op die ochtend (in mei) overigens nog lang niet het toppunt van zijn kracht had bereikt, openbaarde zich als de eigenlijke soeverein van Sicilië: de onbeschaamde, gewelddadige zon, de verdovende zon ook, die de wil van de enkeling tenietdeed en die alles liet bestaan in een slaafse onbeweeglijkheid, gewiegd in gewelddadige dromen, in vormen van geweld die iets gemeen hadden met de willekeur van dromen.

Je komt in verleiding om grote delen van het proza steeds opnieuw te lezen, voor te lezen, op te schrijven, in je herinnering terug te halen.

Maar afgezien van de vorm—in het bovenstaande fragment wordt indirect verwezen naar de politieke situatie waarin Sicilië zich bevindt: wie is de échte soeverein?—is de inhoud zeldzaam rijk aan scherpe observaties, gedetailleerde beschrijvingen, politieke analyses en vooral ook humor. De standensamenleving van midden negentiende eeuw, die op het punt staat omver te worden geworpen, krijgt onuitwisbare contouren door de gouden pen van de schrijver. De ontvangst van prins Fabrizio door de plaatselijke autoriteiten van Donnafugata, als de familie Salina uit Palermo terugkeert naar het geliefde zomerpaleis, is een gebeurtenis die je nooit meer vergeet. De plechtige ontvangst vindt plaats in de kerk en na afloop nodigt het prinselijke paar enkele notabelen uit voor een maaltijd in het paleis, de notaris, de aartspriester, de burgemeester. De prins valt op door zijn hartelijke woorden. De prins had het plaatsje niet veranderd gevonden, schrijft Tomasi di Lampedusa, maar van hem vond men juist dat hij erg veranderd was, hij die nooit eerder zulke hartelijke woorden had gesproken. En, dan komt het: Vanaf dat moment begon, onmerkbaar, zijn prestige af te nemen.

 


De aristocraat als schrijver

De ‘strijd’ tussen de (verarmde) aristocratie en de nieuwe rijken van de bourgeoisie krijgt gestalte in de gesprekken tussen Don Fabrizio en Don Calogero over het huwelijk tussen Tancredi, de prinselijke neef, en de mooie dochter van de burgemeester. De uiterste beheersing die door beide partijen betracht wordt om elkaar maar niet op de tenen te trappen, is niet alleen verwoestend geestig maar ook een staaltje van hogeschoolsociologie. De schrijver is de Macchiavelli van het gewone leven. Daarop zal ongetwijfeld ook door anderen zijn gewezen, want lezing van De tijgerkat drukt je er met de neus bovenop.

 


Uit de film: de standen ontmoeten elkaar, Tancredi, de burgemeester en zijn mooie dochter

Wat bij Italiaanse schrijvers hoort is natuurlijk de vanzelfsprekendheid van opera—zoals Nederlandse schrijvers van gereformeerde afkomst bij iedere situatie Bijbelcitaten voelen opborrelen, zo kun je bij allerlei Italiaanse (of: Siciliaanse) situaties een beroep doen op operafragmenten. In De tijgerkat dus ook. Vlak voordat de familie van de prins is teruggekeerd naar Donnafugata, krijgen ze bezoek van neef Tancredi die een paar vrienden uit het leger heeft meegenomen, waaronder een jonge generaal: een uiterst levendige Toscaan van een jaar of dertig, een enigszins snoevende kletskous, maar welgemanierd en sympathiek (hij had de prins zelfs aangesproken als ‘Excellentie’). Na het eten had zich een mooi schouwspel voltrokken: Carolina die aan de piano de generaal begeleidde, die zich ter ere van Sicilië had gewaagd aan Bellini’s Vi ravviso o luoghi ameni, terwijl Tancredi met uitgestreken gezicht de bladen van de partituur omsloeg alsof er op deze wereld geen valse noten bestonden. In de aria, die zich overigens in Zwitserland afspeelt, bezingt graaf Rodolfo (uit de opera La sonnambula) het landschap van zijn jeugd: de molen, het stroompje, de bossen. Hij is er na geruime tijd teruggekeerd, zoals de familie Salina terugkeert naar Donnafugata, en realiseert zich dat het landschap misschien onveranderd is, maar dat hij de kalme en gelukkige dagen uit zijn jonge jaren nooit meer zal terugvinden. Het zou een motto voor het boek kunnen zijn.

De ontvangst in Donnafugata wordt luister bijgezet door de dorpsfanfare die met grote onstuimigheid Noi siamo zingarelle ten gehore brengt, het zigeunerlied uit Verdi’s La Traviata, waarin ook al dat terugkeerthema in herkend kan worden: we komen van ver en we kunnen in ieders handpalmen lezen wat de toekomst brengen zal. In de kerk speelt vervolgens de organist don Ciccio Tumeo, de jachtvriend van prins Fabrizio, ook een stuk uit La Traviata: houdt van me Alfredo, houdt net zoveel van mij als ik van jou. Het is een vurige liefdesverklaring, dat is zeker, maar ook een afscheid… het liefdespaar moet scheiden, de partners zijn uit onverenigbare milieu’s afkomstig. De lezer wordt niets bespaard!

Ten slotte het sterfbed van Don Fabrizio, een kleinzoon aan de ene kant, Tancredi aan de andere kant. De priester is geweest voor de laatste biecht, de dokter kan niets meer doen. Op straat komt een draaiorgel langs en via de balkondeuren komen de klanken binnen: de laatste woorden van Edgardo uit de opera Lucia di Lammermoor van Gaetano Donizetti. Hij zingt dat Lucia al naar de hemel is gevlogen, maar dat hij haar achterna zal komen om zich weer bij haar te voegen. O bell’alma innamorata, ne congiunga il Nume in Ciel lo ti seguo. Don Fabrizio vraag zich af bij hoeveel sterfbedden in heel Italië deze muziek ten gehore zou worden gebracht. Hij siddert bij de gedachte, want het mechanische muziekje vergalt zijn dood. Tancredi voelt het aan en gooit wat muntjes naar beneden om de orgelman op de jagen.

Interessant genoeg stond Donizetti’s muziek inderdaad wijd en zijd bekend als ordinaire straatorgelmuziek, maar in 1955, twee jaar voor de dood van de schrijver, voltrok zich een kleine revolutie in de waardering voor de componist. In Berlijn vond de uitvoering plaats van Lucia di Lammermoor onder leiding van de jonge Herbert von Karajan met als solisten Maria Callas en Giuseppe di Stefano. De voorstelling sloeg in als een bom: niemand had blijkbaar ooit de ware Donizetti gehoord. Kennelijk is dit niet meer tot Tomasi di Lampedusa doorgedrongen… hij had het te druk met het slijten van zijn schitterende boek.

 

illustraties:
Luchino Visconti; bron: panorama.it
Giuseppe Tomassi di Lampedusa; bron: independent.co.uk
Beelden uit de film van Visconti: bron: distribuzione.ilcinemanitrovato.it