Het is dertig jaar geleden dat Tom Wolfe zichzelf omtoverde van journalist tot romanschrijver: in 1987 verscheen zijn The Bonfire of the Vanities. Het boek was al voorgepubliceerd in Rolling Stone, aflevering na aflevering. Bij elkaar zo’n 660 pagina’s. Er zouden nog diverse (lijvige) romans volgen: A Man in Full (1998), I am Charlotte Simmons (2004), Back to Blood (2012). Voorafgaand aan Bonfire was The Purple Decades gepubliceerd in 1982, een bundel reportages met daarin opgenomen The Me Decade, misschien wel het beroemdste journalistieke verslag ooit. Overal, ook in Nederland, veelvuldig geplunderd door collega-journalisten. Ik herinner me een speciaal dubbeldik Kerstnummer van de Haagse Post, geschreven door John Jansen van Galen en getiteld Ik-tijdperk (1979). Een ongekend succes voor het ‘linkse, maar toch leesbare’ opinieweekblad. Er werden 70.000 losse nummers verkocht; het werkstuk kwam in 1980 als boek uit. Stond de bron erbij vermeld? Ik weet het niet zeker, maar ik betwijfel het. Het begrip Ik-tijdperk was van ons allemaal geworden.

Het centrale personage van Bonfire is Sherman McCoy, handelaar in obligaties en hypotheken bij Pierce & Pierce, een van de sjiekste bankiersfirma’s van Wall Street. Hij woont in een appartement aan Park Avenue ter hoogte van de 79ste Straat, 14 kamers, koopprijs omstreeks 3 miljoen dollar, met bijna 2 miljoen geleend geld, aflossing per maand 21000 dollar, looptijd nog drie jaar. Hij is een van de tophandelaren van het bedrijf—een basismaandloon van 10000 dollar. McCoy sprokkelt het grootste deel van zijn inkomen bijeen door winstdeling en bonussen. Hij zit de hele dag aan de telefoon en smeert klanten over de hele wereld lucratieve deals aan. Een meesterdealer. Zijn dochter Campbell is jaloers op een vriendinnetje met een vader die boeken maakt—wat maak jij eigenlijk, pappie? Het is niet uit te leggen aan een zesjarige. Echtgenote Judy probeert het plastisch voor te stellen: stel dat je iedereen een plakje cake serveert; van al die plakjes blijven kruimels achter op het bord; pappa verzamelt de kruimels en verkoopt die. Campbell is diep teleurgesteld. Als Sherman deze uitleg hoort, krimpt zijn hart ineen. Het zijn wel kruimels van goud, denkt hij gemelijk, en van al die kruimels kun jij een luizenleventje leiden.

Sherman is de zoon van John Campbell McCoy, de ‘leeuw’ van Dunning Sponget & Leach, ook Wall Street. Een onbezorgde jeugd en een vlekkeloze studie aan Yale University. Wall Street Wasps ten voeten uit. Zonder zo’n achtergrond kom je nauwelijks binnen bij firma’s als Pierce & Pierce. Op de campus van Yale of Harvard of Stanford (collegegeld en studiekosten per jaar omstreeks 75.000 dollar) hoor je de verhalen: als je binnen vijf jaar geen kwart miljoen binnenhaalt, ben je ongelooflijk stompzinnig of ongelooflijk lui. By age thirty, $ 500.000—and that sum had the taint of mediocre. By age forty you were either making a million a year or you were timid and incompetent. Make it now! Boys on Wall Street, mere boys, with smooth jawlines and clean arteries, boys still able to blush, were buying three million dollar apartments on Park and Fifth (Why wait?).

 


Romanschrijver Tom Wolfe

Sherman McCoy is innig tevreden met zichzelf, hij is on top of the world. Succesvol, nog steeds veelbelovend, de beste vooruitzichten. Zijn dochtertje speelt met een pop die de Master of the Universe heet en dat is precies zoals McCoy zichzelf beschouwt: iemand die alles in eigen hand heeft, kan doen en laten wat hij wil. The sky is the limit. Maar Tom Wolfe laat McCoy in korte tijd een afgrijselijke duikeling maken, van de hoogste top naar de diepste afgrond, van begerenswaardige socialite in de beste kringen van Manhattan naar uitgekotste pariah met wie niemand gezien wil worden. Hij wordt gearresteerd voor een hit and run-ongeluk: doorrijden na iemand met zijn dure Mercedes te hebben geraakt. Het slachtoffer komt in het ziekenhuis terecht, ligt in coma, zal het misschien niet halen. De angel bestaat eruit dat het ongeluk plaatsvindt in de Bronx en dat het slachtoffer een zwarte jongen is uit een kansarm milieu. De uitersten van de samenleving hebben elkaar getroffen. De precieze omstandigheden van de aanrijding—de dreiging met een roofoverval, de persoon die in feite achter het stuur zat, het gevecht dat McCoy moest leveren om zich heelhuids uit een benarde situatie te redden—verdwijnen achter een dikke mist van opgekropte woede, racistische stereotypen, opportunisme, hypocrisie.

Ik heb Bonfire dezer dagen herlezen, het boek wordt besproken in de onvolprezen leesclub waar ik lid van ben. Na dertig jaar wist ik nog precies hoe de vork in de steel zat, de roman heeft blijkbaar een nauwelijks uit te wissen indruk bij me achtergelaten, ook al was ik veel namen vergeten. Misschien meer nog dan Sherman McCoy is New York de hoofdpersoon. Wolfe heeft het boek geschreven in de tijd dat de stad zich ontwikkelde tot de hoofdstad van de wereld, cultureel, economisch, sociaal. Een laboratorium zoals de personages van Wolfe ook zelf beseffen. Het fundament wordt beschreven in de inleiding tot de aanrijding in de Bronx. McCoy heeft zojuist zijn minnares Maria Ruskin van het vliegveld gehaald en hij brengt haar naar het liefdesnestje dat ze huurt van een vriendin. Het is spitsuur. All four lanes were heavy with traffic. As the Mercedes ascended the bridge’s great arc, he could see the island of Manhattan off to the left (…) Just think of the millions, from all over the globe, who yearned to be on that island, in those towers, in those narrow streets. There it was, the Rome, the Paris, the London of the twentieth century, the city of ambition (…) the irresistible destination of all those who insist on being where things are happening–and he was among the victors.

Door louter toevalligheden komt McCoy ten val, hij wordt vermalen door de dynamiek van een door felle tegenstellingen verscheurde stad: arm-rijk, zwart-wit, etnische successie, immigranten, politiek, progressief-reactionair. Een veelvoud van situaties en gebeurtenissen die als door een bliksemflits tot de spiraal verbonden worden waarlangs McCoy de hel ingezogen wordt. Bonfire heeft na dertig jaar weinig aan actualiteitswaarde ingeboet. Wolfe mag met recht de secretaris van de 20ste eeuwse samenleving worden genoemd, zoals William Makepeace Thackeray, Charles Dickens, Anthony Trollope, Honoré de Balzac, Emile Zola en Victor Hugo de secretarissen van de 19de eeuw waren.

 

illustraties
Tom Wolfe; bron: esquire.com en forumonlawandculture.com