Alison Lurie schreef The Language of Clothes, nu vervolgt ze haar speurtocht. Naar huizen ditmaal: The Language of Houses. Het boek kwam al twee jaar geleden uit, maar ik had er geen verwijzing naar gezien of bespreking van gelezen. Ik kreeg het cadeau van iemand die het in een boekhandel in Washington had ontdekt. Een dierbaar geschenk, want de gulle gever kent mijn zwak voor de schrijfster én voor het onderwerp. De titel is een beetje misleidend: The Language of Buildings zou de lading beter dekken, want Lurie behandelt huizen en woningen, maar ook kerken, musea, scholen, universiteiten, winkels, hotels, restaurants.

Haar uitgangspunt is simpel: A building is an inanimate object, but it is not an inarticulate one. Even the simplest house always makes a statement, one expressed in brick and stone and plaster, in wood and metal and glass, rather than in words—but no less loud and obvious. Een voorbeeld. Formele taal is gewichtig, zegt ze, evenwichtig, zonder haperingen, onderbrekingen of onvoltooide zinnen—formele gebouwen zijn navenant: net zo zorgvuldig uitgedacht. Meestal symmetrisch—de interne indeling van het gebouw, de plek van de badkamer, de keuken of studeerkamer valt aan de buitenkant niet af te lezen. The formal regularity of their facades, both front and rear, suggested that what went on within them was equally formal and well regulated. Veel openbare gebouwen spreken zo’n formele taal, maar ook ‘voorname’ particuliere huizen. In The Language of Houses komen veel meer kenmerken langs: afmetingen, verhoudingen, openheid, licht en duister. Lurie besteedt ruime aandacht aan regionale architectuur, de invloed van het klimaat, bouwmateriaal, de omgeving van het huis, de binnenkant, de indeling, maar ook moeilijk te vatten begrippen als ‘mooi’ en ‘lelijk’, ‘eerlijk’ en ‘vals’. Architecten menen al sinds eeuwen dat fraaie gebouwen de gebruikers en beschouwers gelukkig en deugdzaam maken, zelfs dat de hele samenleving beter kan worden van de juiste architectuur. Lurie put uit romans en gedichten om te laten zien hoe verbreid dat soort denkbeelden is.

Lurie’s taalkundige indelingen zijn niet allemaal wereldschokkend, maar handig in het dagelijkse gebruik. Ook, of misschien juist, als je geconfronteerd wordt met afwijkingen. Gezien het belang van formele bouwstijlen voor de rijken en machtigen der aarde, zou je bij voorbeeld symmetrische huizen verwachten langs de Amsterdamse grachten: centrale opgang in het midden en identieke helften aan weerszijden. De werkelijkheid is anders. Hier en daar zie je een schoolvoorbeeld, zoals het Trippenhuis aan mijn gracht, de Kloveniersburgwal, maar de meeste grachtenhuizen hebben een volstrekt eigen karakter. Het zeventiende eeuwse Amsterdam stond recht tegenover de Zeitgeist, zoals de architectuurhistoricus Donald Olsen het uitdrukte in zijn opstel Urbanity, Modernity, and Liberty. Geen dwingende bouwvoorschriften van een absolute vorst of een dictatoriale kerk, maar eerder vrijheid, blijheid. Olsen zegt: Its architecture expressed the individual personality of its householders, tempered by the restraints necessary for urban life and by a judicious balance of traditional and contemporary taste. Het informele karakter van de Amsterdamse grachtengordel correspondeert met de embarrassment of riches die door een andere historicus, Simon Schama, zo typerend werd geacht voor de machtige Amsterdamse ‘heren’.

Lurie spreekt zich in algemene termen uit, maar haar blikveld is in feite grotendeels beperkt tot de Verenigde Staten. Ze suggereert dat de hal bij de voordeur van ‘gewone’ middenklassehuizen oorspronkelijk de statige ontvangsthal was van achttiende eeuwse elitewoningen. In statige huizen werden bezoekers in de hal ontvangen en vermaakt, het leven vond elders plaats; de hal van onze dagen is alleen nog maar de toegang tot de woning, een plek om je jas op te bergen en je papaplu te deponeren. Er hangt meestal een spiegel waarin je kunt controleren of je ‘toonbaar’ bent voordat je naar buiten stapt. En andersom, natuurlijk. Ook in Europese huizen zie je dikwijls zo’n opzet. Amerikaanse huizen zijn gemiddeld omstreeks 100 vierkante meter, Nederlandse eengezinshuizen doorgaans iets groter. Maar de appartementen waarin ik tijdens mijn verblijf in Mumbai gewoond heb, waren een stuk kleiner. Een ‘ruime’ flat dichtbij het Internationale Vliegveld, bij voorbeeld, had een woonkamer van 4 bij 5, een slaapkamer van 2 bij 4,5, een keuken van 2 bij 3 en een balkon van 4 bij 1,5. De badkamer met toilet was van postzegelformaat. Ik woonde er in m’n eentje, maar de huiseigenaar had er geleefd met zijn hele gezin, zes personen. Hier geen hal bij wijze van ‘overgangsruimte’ tussen binnen en buiten—door de voordeur stap je meteen de woonkamer binnen. Dat wijst op verschillende opvattingen over ‘privé’ en ‘openbaar’. In The Language of Houses komt dat niet aan de orde.

De woningsituatie hangt nauw samen met demografie, economie en politiek. Wat in Lurie’s termen ‘groot’ of ‘klein’ is, maar ook de morele en esthetische lading van huizen en gebouwen, kan elders (en vroeger) een totaal andere betekenis hebben. In de miljoenenstad Mumbai, om dat voorbeeld nog maar eens te noemen, leven vele honderdduizenden op straat, in vurig bevochten hoekjes en gaatjes en altijd bang om te worden aangevallen en weggestuurd. Veruit het grootste deel van de bevolking dat wél een woning heeft, leeft in één ruimte, vaak geïmproviseerde hutjes van niet veel meer dan anderhalf bij tweeënhalf. Toegegeven, er is ook rijkdom in de stad. Langs Carmichael Road, waar ik jarenlang als paying guest een paar kamers huurde, heeft Mukesh Ambani onlangs zijn ‘optrekje’ neergezet: een complex van 27 verdiepingen, met 600 kamers en een totale oppervlakte van bijna 40.000 vierkante meter (kosten ruim 700 miljoen dollar).

The Language of Houses is geschreven in gewone mensentaal, Alison Lurie is tenslotte niet voor niets een gevierd romanschrijfster. Dat is een verademing, want zoals veel kunstjargon is architectenpraat dikwijls lelijk en ontoegankelijk, zoals gebouwen lelijk en ontoegankelijk kunnen zijn. Door haar nuchtere manier van kijken leert ze ons de kleren van de keizer beter te onderscheiden dan we alleen zouden kunnen doen.

 

illustraties:
Buurmeisje in de woonkamer (naast de buitendeur), wonen op straat in Mumbai, en hutjes langs de rivier; foto’s van Lodewijk Brunt (copyright)