Afgelopen weekend was het jaarlijkse Gergiev-festival in Rotterdam; dit keer helemaal gewijd aan Sergei Rachmaninov–een geweldig succes. Er waren drie Russische pianisten overgevlogen om de pianoconcerten te spelen: Sergei Babayan, Dmitri Masleev en Alexander Gavrylyuk. In NRC Handelsblad (10 september 2015) kwamen ze aan het woord over de componist/pianist en de superlatieven waren niet van de lucht. Zonder Rachmaninov was ik nooit pianist geworden, zegt de een, hij heeft de horizon van wat er met een piano mogelijk was enorm verbreed, zegt de ander. De mooiste uitspraak is van Babayan: Veel pianisten hebben bijna het bijltje erbij neergegooid toen ze Rachmaninov hoorden spelen. Hij is God. Wij zijn pianisten. Helaas zijn wij niet meer in staat Rachmaninov in volle glorie te horen spelen, hij weigerde om in de studio muziek op te nemen of voor de radio op te treden; zonder publiek kon hij zich niet ten volle geven, meende hij. Desondanks is er wel iets van hem bewaard gebleven. Ik heb de vertolking van zijn eigen compositie, Rhapsody on a theme of Paganini, uit 1934, het Carnaval van Robert Schumann uit 1929, het duo voor viool en piano van Franz Schubert dat hij speelt met zijn vriend Fritz Kreisler, ook uit 1929 en, uit datzelfde jaar, zijn 2e pianoconcert met het befaamde Philadelphia Symphony Orchestra onder leiding van Leopold Stokowski. Hij was inderdaad een verbijsterende pianist–voor zover ik daarover tenminste kan oordelen met mijn lekenverstand.

Bij Rachmaninov hoort Frank O’Hara–althans in mijn hoofd. O’Hara??? De heren hebben elkaar nooit ontmoet en het is zeker dat Frank O’Hara Sergei Rachmaninov wel kende, maar Rachmaninov O’Hara niet. De componist heeft zo’n jaar of vijfentwintig in de Verenigde Staten gewoond, maar sprak nauwelijks Engels en heeft zijn hele leven slechts één Engelstalig boek gelezen: Main Street van Sinclair Lewis. Toen Rachmaninov overleed–op 28 maart 1943–had O’Hara nog niets gepubliceerd. O’Hara was muzikaal begaafd en moet al vroeg de naam Rachmaninov hebben gehoord. Hij kreeg pianolessen, onder anderen bij Margaret Mason aan de New England Conservatory in Boston, en studeerde aanvankelijk muziek aan Harvard University, maar heeft uiteindelijk naam gemaakt als curator bij het Museum of Modern Art in New York en ook als dichter.

 

Frank O’Hara maakte deel uit van het bruisende New Yorkse kunstleven zoals zich dat na de oorlog ontwikkelde: nieuwe schilderkunst, nieuwe muziek en, niet in de laatste plaats dankzij hemzelf, nieuwe poëzie. Hij was groed bevriend met Willem de Kooning, Jackson Pollock en andere drippers en verkeerde in het gezelschap van Morton Feldman, John Cage en anderen. Wat er in de muziek en in de schilderkunst plaatsvond, dat zou zich ook in de dichtkunst moeten manifesteren en O’Hara heeft dat geprobeerd te realiseren. Zijn bronnen van inspiratie waren de surrealisten, de Russische dichter Mayakowsky en vooral de Franse poëzie: Rimbaud, Mallarmé–hij wilde gedichten schrijven in gewone spreektaal. De academische poëzie die overheersend was in Amerika, had zijn beste tijd gehad, het was tijd voor nieuwe impulsen. Niet alleen wat de vorm van poëzie betreft, ook als het gaat om de onderwerpen waarover dichters schrijven. O’Hara wijdde gedichten aan homoseksualiteit, abortus, muziek, film, macaroni en andere ‘ongebruikelijke’ onderwerpen. John Ashbury, boezemvriend van O’Hara, schreef: To ignore the rules is always a provocation, and since the poetry itself was crammed with provocative sentiments, it was met with the friendly silence reserved for the thoroughly unacceptable guest.

En Rachmaninov? O’Hara heeft tal van gedichten opgedragen aan inspirerende voorbeelden, kunstenaars, vrienden–zijn kat, Boris Pasternak, John Ashbury, Arnold Schoenberg, Larry Rivers, Kenneth Koch, Hieronymus Bosch, James Dean, Willem de Kooning, D.H. Lawrence, Mayakowsky, Paul Bowles. Daaronder dus ook Sergei Rachmaninov en wel in de vorm van bijna tien gedichten, op verschillende tijdstippen geschreven, maar allemaal met dezelfde titel: On Rachmaninoff’s Birthday. Soms met toevoegingen, zoals Quick! a last poem before I go of It is your 86th birthday. Zulke opmerkingen lijken te verwijzen naar de manier waarop O’Hara schreef–chaotisch. Hij krabbelde regels neer op de gekste momenten, op kantoor, tijdens zijn lunchpauze op straat, in kamers vol mensen. De resultaten kwamen terecht in bureauladen, tussen papieren, in dozen, tussen boeken. Als zijn uitgever om een bundel vroeg, was hij soms maanden bezig om zijn kattebelletjes terug te vinden en vaak liet hij het er dan maar bij zitten. Zijn vriend Ashbury herinnert zich dat een van zijn mooiste gedichten bewaard is gebleven omdat hij het had opgestuurd in een brief. Ashbury schreef het over in een brief aan iemand anders, en door toeval had de geadresseerde deze brief nooit weggegooid (ik haal deze anecdote uit de inleiding van Ashbury tot de verzamelde gedichten van O’Hara, in 1971 verschenen bij Alfred A. Knopf, New York).

Wat precies het verband is tussen Rachmaninov en sommige van de gedichten–ik weet het niet. Het is mooie, speelse poëzie, ondanks de titel staat er in sommige gedichten geen enkele expliciete verwijzing naar de pianist, componist of persoon Rachmaninov. Maar in een paar wordt de componist direct aangesproken, je voelt dan de tederheid en bewondering. Overigens is Rachmaninov op zijn zeventigste gestorven:

It is your 86th birthday
and I’m sitting crying at the corner
of Ninth Street and Avenue A
one swallow doesn’t make a summer
this coffee is terribly tepid

sometimes the 2nd Symphony sounds like Purcell
sometimes is sounds like
Wozzeck’s last act

where is J.F. Donnelly and his Russian wolfhounds?
where is his wife, Helen? where the cigar-smell
and the hootings in the studio while I practice?

a day of dismay is a day to remember
night doesn’t come, and feeling dissipates
at the disgusting blackness of light
refuses to go off and leave melancholy
to nourish its roots of perversity
perhaps it will turn green like a potato

the ability to sing is ordinary
the ability to play is exceptional

where we can shroud ourselves in the
mechanized clarity of emotional vandalism we
do not see your owlish obstinacy staring back.

Of:

Blue windows, blue rooftops
and the blue light of the rain,
those continguous phrases of Rachmaninoff
pouring into my enormous ears
and the tears falling into my blindness

for without him I do not play,
especially in the afternoon
on the day of his birthday. Good
fortune, you would have been
my teacher and I your pupil

and I would always play again.
Secrets of Liszt and Scriabin
whispered to me over the keyboard
on unsunny afternoons! and growing
still in my stormy heart.

Only my eyes would be blue as I played
and you rapped my knuckles,
dearest father of all the Russias,
placing my fingers
tenderly upon your cold, tired eyes.

Ashbury kwalificeert O’Hara als een typische dichter van New York: zijn gedichten zijn doortrokken van stadsrumoer, de geur van afval en uitlaatgassen, de weldadige, corrupte en aantrekkelijke sfeer die de stad maakt tot wat ze is. Maar in O’Hara’s leven moeten momenten van stilte geweest zijn–als de muziek van Rachmaninov tot hem doordrong en hem diep raakte. Feestelijke momenten die hem aan een verjaardag deden denken. Rachmaninov’s verjaardag was 1 april, een dag om niet te vergeten.

 

illustraties
Sergei Rachmaninov; bron: debijloka.be
Frank O’Hara; bron: youtube.com