Eerst de slotzin en daarna het verhaal achterstevoren opschrijven. Ik raak in de knoop: wordt die slotzin dan de beginzin? Het gaat over de lijvige romans van John Irving van wie net een nieuw boek uit is en die daarom in Nederland is om zich te laten interviewen. Voor de verkoop. Hij heeft al vele tientallen keren verteld hoe hij zijn boeken construeert, voor mij was het de eerste keer—ik blijf in het duister tasten. Ligt het aan hem of aan de interviewer? Ook de karakterisering van Irving: een van Amerika’s bekendste nog levende romanschrijvers… van hem of van de interviewer? Onduidelijk. Ik ga af op de rubriek ‘lunchen met’ die (in navolging van de gelijknamige rubriek uit de Financial Times) iedere zaterdag in een van de NRC Handelsblad-bijlagen te vinden is. Ditmaal dus met John Irving (30, 31 januari 2016). Ach, waarom niet.

Ik heb één boek van Irving in huis—A Son of the Circus uit 1994–dat zich voornamelijk afspeelt in Bombay, dus nog voordat hindoefanaten de naamsverandering (Mumbai) afdwongen. Usually, the dwarfs kept bringing him back—back to the circus and back to India, luidt de beginzin op pagina 3. Zou dit de bewuste ‘slotzin’ zijn geweest die Irving heeft bedacht voordat hij het verhaal in omgekeerde volgorde is gaan schrijven? Farrokh was listening to the applause—he was still at the circus: de slotzin op pagina 633. Was dit de zin die het verhaal op gang bracht? Gooi maar in mijn pet, ben ik geneigd te denken. Beide zinnen zijn even nietszeggend en hoeveel keer Irving het ook aan journalisten heeft gesleten, volgens mij is het onzin, een trucje om interessant te lijken.

Het nieuwe boek bevat weer de vaste ingrediënten van een Irving-roman, maak ik op uit het gesprek dat Rinskje Koelewijn met de schrijver heeft gevoerd: bizarre seks, beren, travestieten, dwergen, circus, freaks. Ditmaal speelt het verhaal zich af in Mexico, maar uit de globale verwijzingen maakte ik op dat het net zo goed weer in Bombay gesitueerd had kunnen zijn. Irving heeft een maniertje: een formula, om het op z’n Amerikaans te zeggen. Je klutst wat bekende onderdelen door elkaar en kiest een min of meer exotische omgeving (vuilnisbelt in Mexico City, circus in Bombay, hoerenbuurt in Amsterdam) en je gaat aan de slag. Na minimaal vijf tot zeven jaar is het boek af. Dat de auteur zoveel tijd nodig heeft, verbaast me—uit A Son of the Circus is me vrijwel niets bijgebleven, warrige verhalen over vage figuren, met talloze subplots, verteld op een langdradige, oeverloze manier, zonder dramatische spanning.

Wat me nog meer verbaast is Irvings nadruk op de degelijke research die aan het schrijven voorafgaat. Hij fantaseert iets, maar gaat vervolgens na of het in de werkelijkheid kan kloppen. In Amsterdam bezocht hij hoeren om te vragen of er wel eens vrouwen op bezoek komen die willen betalen om toe te kijken en hij bezocht tatoeageartiesten met weer andere vragen. En bij medische problemen zet hij zijn vriend Marty aan het werk, arts. Ongetwijfeld doelt hij op dr Martin Schwartz uit Toronto die ook bedankt wordt in het voorwoord van zijn Bombayboek. Marty is een wonderdokter, want hij heeft op verzoek van Irving uitgezocht of leeuwen hondsdolheid kunnen hebben, zoals hij Koelewijn vertelt. Wat het antwoord op de vraag was vermeldt de verslaggeefster niet, wél dat het verdomd lang duurde voordat de dokter het vraagstuk had opgelost. Toch een beetje alsof ik zeg dat mijn kanariepietje een neurose heeft omdat mijn huisarts dat heeft bestudeerd.

Irving slaat zich op de borst: alles klopt! Ik kijk beter naar de werkelijkheid dan welke wetenschapper ook, laat Koelewijn hem beweren. Ik ben een eeuwige student. Ik weet dat ik niks weet. Zou het? De beschrijving van Bombay in A Son of the Circus wordt niet gekenmerkt door scherpe observaties, integendeel. Het gaat me niet zozeer om fouten (de linzensoep die bij iedere maaltijd wordt geserveerd heet daal en niet dhal, zoals Irving optekent) als wel om de volstrekte oppervlakkigheid. De auteur heeft zich in Bombay bewogen op een vierkante kilometer, meer niet. Hij heeft gelogeerd in het sjieke Taj Mahal-hotel aan de baai en misschien in het nog sjiekere Oberoi-hotel aan de Arabische zee; daar heeft hij de Queen’s necklace kunnen bekijken zoals de boulevard van Marine Drive wordt genoemd waaraan het hotel ligt. Verder heeft hij veel tijd doorgebracht in de Bombay Gymkhana, de peperdure ‘sportclub’ van de stad waar de rijken en machtigen zich verzamelen om op ligstoelen naar een lome cricketmatch te kijken terwijl gedienstige obers met ijsgekoelde drankjes af en aan rennen. Dat geldt tenminste voor leden, de contributie is torenhoog, de wachtlijst voor nieuwe leden beslaat vele jaren. Ach ja, hij heeft ook de bibliotheek van de Asiatic Society bezocht aan Horniman Circle—kwartiertje lopen van de Taj Mahal—en wat kennissen op de Malabar Hill, waar de superrijken wonen met hun superieure uitzicht over zee.

De pepertjes voor zijn verhaal liggen voor het oprapen: uiteraard komen er hijra’s in zijn verhaal voor, vaak vertaald als eunuchs, een kruising tussen travestieten en transseksuelen, verdovende middelen, hoeren, cobra’s, gieren. In het verhaal ligt de nadruk op een van de meer exotische minderheden in India, de parsis en hun vuurtempels en stiltetorens waar de lijken van overledenen worden neergelegd om door de gieren te worden kaalgevreten. Het kan allemaal zó uit toeristische gidsjes worden overgeschreven, er zit geen originele waarneming bij.

Een climax in het verhaal is de ganesh chaturthii, het jaarlijkse feest ter ere van de olifantengod Ganesh die juist in Bombay bijzonder populair is. Een van de personages bezoekt het festival en is er getuige van hoe de zelfvervaardigde beelden van Ganesh op het eind van het feest naar de zee gedragen worden. Het moet eind augustus, begin september geweest zijn, want dat is de periode van het festival, nog volop regentijd. In het boek nergens een verwijzing naar dit seizoen. Ook niet naar het feit dat er in Bombay in principe Marathi wordt gesproken, geen Hindi, of dat de parsis in Bombay onderling overwegend Gujarati spreken.

Het schokkendst zijn de curieuze verwijzingen naar de controverse tussen Hindoes en Moslims over de ‘moskee van Babar’, daar zou al ‘veertig jaar’ strijd over bestaan. Het staat er echt, maar in werkelijkheid is het vierhonderd jaar. Irvings boek kwam uit in 1994, Twee jaar eerder, december 1992, vonden de ernstigste godsdienstrellen van na de Partition (de scheiding tussen India en Pakistan) plaats. De resten van de Babri Masjid in de noordelijke stad Ayodhya (Uttar Pradesh) werden door groepen hindoefanaten met de grond gelijkgemaakt, de gevolgen waren desastreus. Vooral in Bombay vonden in de weken daarna hele veldslagen plaats waarbij honderden doden vielen en vele duizenden gewonden. Aan de bloedige rellen kwam een eind door een serie bomaanslagen in het voorjaar van 1993, de grootste aanval op een stad in vredestijd ooit uitgevoerd. De islamitische onderwereld had wraak genomen… Hele gebouwen en stukken straat lagen in puin.

In A Son of the Circus zoek je vergeefs naar deze dramatische episode, waarvan de gevolgen nog iedere dag voelbaar zijn. We kunnen er kort over zijn: iedere beoefenaar van de wetenschap zou zich kapot schamen als hij/zij met zo’n boek zou thuiskomen.

 

illustraties:
hijra (eunuch) tijdens festival; bron: www.yanidel.net
ganesh feest; bron: en.wikipedia.org