Kun je opkomen voor slachtoffers die zichzelf niet als een benadeelde partij beschouwen? Het lijkt er soms op. Ik las een stukje van Christiaan Weijts (NRC Handelsblad 16 juni 2017) over zo’n arrangement, althans ik heb het zo gereconstrueerd, want helemaal duidelijk drukte de schrijver zich niet uit. Hij was getuige geweest van een discussie in Rotterdam over posters die daar in het openbaar zijn opgehangen door de overheid: op de posters zijn moslimvrouwen te zien—blijkbaar af te leiden uit hoofddoekjes, ik weet niet hoe je zulke vrouwen anders zou kunnen identificeren—die zoenen met niet-islamitische partners. Dit alles in het kader van een campagne voor ‘vrije partnerkeuze’. De initiatiefnemers, waaronder een wethouder van Leefbaar Rotterdam, menen blijkbaar dat moslimvrouwen zo’n aansporing nodig hebben. Vrouwen (en mannen) van andere religieuze groepen of vrouwen (en mannen) die helemaal geen religieuze overtuiging hebben vallen buiten de actie. Doen die wel aan vrije partnerkeuze? En zo ja, wat is dat dan precies? Wat te denken van mensen die niet aan partnerkeuze doen of niet van zo’n brutale inmenging in hun privébestaan gediend zijn?

 


Een stigma aangemeten in Rotterdam

Ik laat me meeslepen, want daar gaat het me in feite niet om. Ik werd getroffen door Weijts beschrijving van de discussie. Een beetje alsof je luistert naar artsen die overleggen over een patiënt, hier blijken vooral vertegenwoordigers námens de betrokkenen aanwezig, stichtingen met het bekende vakjargon in hun slogans. De patiënt zelf is niet aanwezig, wat ook wordt opgemerkt door sommige aanwezigen: de doelgroep wordt niet bereikt. Weijts signaleert een boeiend sociaal verschijnsel, misschien zonder het te beseffen: het optreden van de zogenaamde zaakwaarnemer. Een persoon of instantie die het woord voert namens een groepering zonder noodzakelijkerwijs tot die groepering te behoren. De Amerikaan Graham Bell was een voorbeeld: hij had zich ten doel gesteld om dove mensen te leren spreken. Hij trouwde met een van zijn eerste leerlingen, een vrouw die haar gehoor al jong verloren had. Van het geld dat Bell kreeg voor zijn uitvinding van de telefoon, stichtte hij in 1887 het Volta Bureau, later omgedoopt tot de Graham Bell Stichting: een internationaal informatiecentrum voor doven. Beroemder nog waren de Engelsman William Wilberforce, die zich het lot van de zwarte slaven had aangetrokken, John Stuart Mill, kampioen van de vrouwenbeweging, Friedrich Engels, belangenbehartiger van het uitgebuite fabrieksproletariaat, Moorfield Story die streed voor de lotsverbetering van zwarte tweederangsburgers in de Verenigde Staten.

Weijts heeft oog voor het potsierlijke van de situatie in Rotterdam, maar in vele gevallen gaat het bij zaakwaarnemers om een welgemeende inspanning voor een—in hun ogen—hoger doel. Ik heb wel eens bij een vergadering gezeten over de positie van (toen nog) gastarbeiders uit Noord-Afrika. Een van de gesprekspartners zette zijn standpunt uiteen en merkte in volle ernst op dat ‘wij’ zwaar werden achtergesteld in de Nederlandse welvaartsstaat—de spreker had zich zodanig met zijn groep vereenzelvigd dat hem de discrepantie tussen zijn eigen identiteit als oer-Nederlandse welzijnswerker en de identiteit van de Marokkanen voor wie hij sprak, niet meer opviel. Het gemeenschappelijke aan de positie van zaakwaarnemers is dat ze opkomen voor de emancipatie en lotsverbetering van de bevolkingsgroepen in kwestie. André Köbben, die het verschijnsel van de zaakwaarnemer vanuit de antropologie belicht heeft (De zaakwaarnemer,1983), merkte op: En hoe meer een groep vertrapt is en uitgebuit, des te meer heeft zij behoefte aan de goede diensten van een zaakwaarnemer.

Over welke groepen gaat het? Zo op het eerste gezicht zit er nauwelijks verband tussen kansarme jongeren, slaven, doven, vrouwen, etnische minderheden, uitgebuite fabrieksarbeiders, bejaarden, moslimvrouwen en tal van andere groepen die zich hebben laten vertegenwoordigen door zaakwaarnemers. Maar bij nader inzien is er wel degelijk een gemeenschappelijke grond: de groepen lijden allemaal onder een stigma. Ik gebruik het begrip in de betekenis die Erving Goffman er ooit aan gegeven heeft: er is van een stigma sprake als mensen een attribuut (eigenschap of kwaliteit) hebben dat ze onderscheidt van andere groepen en wel zodanig dat ze tot een ‘ongewenste soort’ behoren. Iemand met een stigma wordt van ‘gewoon mens’ gereduceerd tot een besmet persoon, in extreme gevallen zelfs een slecht of gevaarlijk persoon.

Stigma’s kunnen gebaseerd zijn op lichamelijke afwijkingen, afwijkingen van de geest of het karakter of lidmaatschap van een bepaalde raciale of etnische groep, familie, natie, godsdienst of sociale klasse: tribaal stigma. Een stigma verdringt doorgaans alle andere statuskenmerken die iemand heeft en leidt daardoor tot een master status. We kennen allemaal de voorbeelden uit onze eigen omgeving. Een zaakwaarnemer is zo gezien een tussenpersoon, een makelaar of bemiddelaar tussen de ‘getekenden’ en de ‘normalen’. Bij zaakwaarnemers wordt vaak gedacht dat ze per definitie afkomstig zijn uit de gevestigde bevolkingsgroepen, maar dat lijkt me geen noodzakelijke voorwaarde. Ook Goffman onderscheidt de own, een zaakwaarnemer uit eigen kring, en de wise, iemand van buiten. Een own is dikwijls tevens een rolmodel: hij of zij demonstreert dat je ondanks je stigma toch een goede positie kunt bereiken. Een wise is eerder een normalisatie model : hij of zij toont aan dat je met gestigmatiseerden om kunt gaan alsof dat stigma helemaal niet bestond. Velen worden gekenmerkt door een zekere mate van stigmafilie: een schijnbare liefde tot het stigma. We hebben het er aan het begin van dit stukje al even over gehad.  De vraag is of zulke ‘ingewijden’ door de normale wereld nog serieus worden genomen.

Hoe word je zaakwaarnemer? In de literatuur zie je vooral twee omstandigheden genoemd: iemand die door zijn professionele activiteiten nauw met de gestigmatiseerde groep verbonden is of iemand die een zodanig nauwe betrekking onderhoudt met de gestigmatiseerde groep dat hij of zij door de buitenwereld als een soort natuurlijke vertegenwoordiger wordt beschouwd. Maar er zijn andere mogelijkheden. We denken weer aan Wilberforce: hij kon nachten wakker liggen van alle wreedheden begaan tegen de slaven die uit Afrika naar de Nieuwe Wereld werden vervoerd en hij schaamde zich voor het comfortabele bestaan dat hij zelf leidde. Toch is hij nooit van zijn leven in Afrika of Amerika geweest en heeft geen van zijn poor clients ooit van dichtbij gezien.

 


De burgemeester en zijn wethouder: vrije partnerkeuze

Het is in een samenleving als de Nederlandse, met een overvloed aan communicatiemiddelen, denkbaar dat mensen zich het lot aantrekken van gestigmatiseerde groepen zonder dat ze zélf op enigerlei wijze banden met die groepen onderhouden, of zelfs maar bij benadering weten of de betrokkenen eigenlijk onder een stigma lijden. Het stigma kan alleen maar in het hoofd van de zaakwaarnemers bestaan. Je zou kunnen vermoeden dat de door Christiaan Weijts beschreven Rotterdamse wethouder van de posters een fraai voorbeeld van zo’n zaakwaarnemer is.

 

illustraties:
Burgemeester en wethouder; bron: telegraaf.nl
Wethouder; bron: ad.nl
Poster; bron: openrotterdam.nl