De vloeren van mijn appartement kraken en zuchten niet alleen onder het gewicht van mijn boeken, ook van mijn ‘muziekdragers’: cd’s, lp’s, cassettebandjes. In de loop van mijn leven heb ik er ongekende bedragen aan besteed – als ik het geld had gespaard kon ik nu in een Gooise villa wonen en in een maffiajacht rondvaren. Maar ja, spijt heb ik niet, want wie wil er in godsnaam in het Gooi wonen of in een file door smalle kanalen koersen?

Op muzikaal gebied ben ik een alleseter, typisch iemand die het laatste wat hij gehoord heeft ook het mooiste vindt. In mijn smaak is geen orde te ontdekken – ik word er dezer dagen weer eens nadrukkelijk mee geconfronteerd nu ik nieuwe kastruimten met honderden cd’s moet inrichten. In feite onbegonnen werk. Pas na lang nadenken realiseer ik me dat er op de achtergrond toch misschien iets van een systeem in de gekte zit. In zekere zin. Soms.

Anders dan sommige échte muziekkenners die stellig beweren dat er na Mozart en Beethoven nooit meer iets gecomponeerd is wat de moeite van het beluisteren waard is, ben ik door de jaren heen een toegewijde liefhebber van enkele hedendaagse Amerikaanse componisten. Philip Glass, en zeker John Adams. Ik kan me goed herinneren hoe ik van ontroering bijna van mijn stokje ging toen ik in het Amsterdamse muziektheater Nixon in China zag. Naar zijn half-ironische Grand Pianola Music — door pundits uit de muziekwereld zwaar gekritiseerd — of zijn op gedichten van John Donne, Emily Dickinson, Wallace Stevens geïnspireerde werk zoals Harmonium luister ik vaak en graag. Niet alleen krachtige muziek, ook statements over de geschiedenis van de klassieke muziek in het algemeen en de Amerikaanse muziek in het bijzonder. Ik ben ook geboeid door hun voorgangers en bronnen van inspiratie: Aaron Copland, Charles Ives, Steve Reich – niet te vergeten George Gershwin, Leonard Bernstein.

Soms verbaas ik mezelf dat ik zulke sterke voorkeuren zonder veel moeite combineer met een onblusbare passie voor traditionele opera. Monteverdi en Händel en in hun voetsporen de negentiende eeuwse Italiaanse traditie met Verdi als onbetwist hoogtepunt. Hoe verhoudt Nixon in China zich muzikaal met La Traviata of MacBeth? Ik vermoed dat zo’n eclectische houding tekenend is voor de muzikale amateur, een schrijnend gebrek aan onderscheidingsvermogen. Hoe kun je nou van het één houden en óók van het ander? Temeer omdat er tussen deze ‘stromingen’ door plotseling ongerijmde uitschieters opduiken: zoals de vioolsonates van Prokofiev, waarover ik op deze plaats wel eens eerder geschreven heb.

Een andere oude favoriet werd onlangs uitgezonden door France Musique dat op quatorze juillet ruim aandacht besteedde aan het Mediterrane Festival van Montpellier/Languedoc. We hoorden een lang interview met Michel Marre, jazz trompettist, die vertelde over Salhi, zijn samenwerkingsproject met de Tunesische percussionist Imed Alibi en zanger Mounir Troudi. Fusiemuziek, maar dan van het zeldzame, geslaagde soort. De weemoedige stem van Troudi die bijna samenviel met de zachte trompet van Marre, terwijl de vingertrommel van Alibi er als een orkest achter zat. Om stil van te worden.

Maar dan het optreden van het Ensemble Pulcinella met celliste Ophélie Gaillard… ze brachten een stuk dat al zo’n dertig jaar dagelijks door mijn hoofd speelt — Luigi Boccherini’s Del Fandango. Door de componist in het laatste kwart van de achttiende eeuw samengesteld uit stukken van eerdere kamermuziek. Met risico, want in navolging van de Spaanse Inquisitie waren de autoriteiten in Spanje niet bijzonder gecharmeerd van populaire wijsjes. De (Italiaanse) componist was in dienst van Markies de Benavent, maar dit opwindende strijkkwintet plus gitaar leek eerder op kroegmuziek dan hofmuziek. Pulcinella maakte er ook fusiemuziek van, een menging van het oorspronkelijke kwintet met hedendaagse muziek uit Andalusië: een toevoeging van twee gitaren en castagnetten.

Ik moest mijn adem inhouden, kon niet stilzitten, huilde bijna hete tranen. Muziek krijgt bij mij voor mekaar wat geen enkele andere kunstvorm lukt, het scheurt je emoties los en maakt je voor even vrij als een vogel. Het deed me denken aan een bustocht. Lang geleden. ’s Nachts, van Praag naar Amsterdam, met een stuk of twintig studenten op terugreis van een excursie. Sommige passagiers sliepen, anderen zaten te kletsen, te lezen of te suffen. Flessen goedkope Tsjecho-Slowaakse wodka gingen rond, van hand tot hand. Ik zat met een koptelefoon op en keek naar de lichtjes die voorbijschoten. Ik had een bandje met Boccherini opgenomen voor op reis, ik denk van het Quinteto Boccherini. Een student kwam naast me zitten en vroeg waar ik naar luisterde, hij had me zo gelukzalig zien glimlachen, het moest iets speciaals zijn. Ik zette hem de koptelefoon op zijn hoofd. Na een paar minuten leende hij het bandje, liep naar de chauffeur en zette de muziek op de geluidsinstallatie van de bus. Daar klonk het kwintet in D, opus 40. no. 2, Del Fandango.

Mensen werden wakker, hielden op met hun gesprekken, keken in het rond. Toen de muziek stopte, was het even stil. Daarna klonk een donderend applaus. Zoiets had ik nooit eerder meegemaakt (en, trouwens, sindsdien ook niet meer). Muziek van twee eeuwen oud, een blikseminslag.