Amsterdam is weer eens in opspraak. Op 1 augustus jongstleden stond een stuk over de stad afgedrukt in NRC Handelsblad uit de pen van de hoofddirecteur van het Rijksmuseum Amsterdam, Wim Pijbes. Nu zijn pogingen mislukt zijn om fietsen te weren uit de onderdoorgang van het museum, richt hij zijn pijlen op prostitutie, smerigheid, fietsers in het algemeen, scooters, rondvaartboten, straathandel, zwerfvuil, illegale kamerverhuur, taxi’s, softdrugs, gebrek aan wellevendheid in het openbaar. Toemaar, waar een kunstbaas al niet verstand van moet hebben! Zijn stuk heet ‘Amsterdam, het toerisme, het vuil en de volle stad’. Hij zal hebben gedacht: wat Rainer Werner Fassbinder destijds aan ophef veroorzaakte met ‘Het vuil, de stad en de dood’, dat kunnen wij beter! En inderdaad, tot op de dag van vandaag drukt de redactie van de krant ingezonden brieven af waarin op het stuk wordt gereageerd. Er werd een hoofdredactioneel commentaar aan de kwestie gewijd en een hele opiniepagina vol met meningen van allerhande deskundigen op het gebied van steden en stedelijke ontwikkelingen. Ook columnist Henk Hofland deed zijn duit in het zakje – hij schreef het zevenhonderdvijfentwintigste stukje over zijn dagelijkse ritje met de Amsterdamse tram en bedacht dat alle problemen uit de wereld zijn als buitenlandse toeristen maar zouden weten wat je voor een tramkaartje moet betalen. In Het Parool ging Theodor Holman tekeer tegen Pijbes – ik zal vast nog heel wat opwinding elders hebben gemist.

Uitgangspunt voor Pijbes is de opening van het Rijksmuseum (de geschiedenis kan herschreven worden: de mensheid vóór en de mensheid ná dit heugelijke feit). Dat heeft een enorme stimulans gegeven aan de toeristenstroom die Amsterdam aandoet. Kan de stad dit aan of niet? Veel lijkt erop te wijzen van niet, er deugt weinig van Amsterdam – getuige de bonte hoeveelheid onderwerpen die Pijbes behandelt. ‘Iedereen die dagelijks de stad bezoekt, ziet het: het zwerfvuil, de irritaties, de rijen, kortom de ongeregisseerde drukte. Amsterdam raakt vies, vuig en vol’. In zijn enthousiasme haalt de auteur medestanders van stal om zijn gelijk aan te dikken. Hij noemt in dat verband Simon Kuper – over wie ik eerder op deze plek heb geschreven. Maar Kuper windt zich allerminst op over het vuil en de stad, eerder integendeel, hij laat juist merken hoe prettig het is in Amsterdam, hoe je hier rustig op een terrasje kunt zitten met een krant en kopje koffie. Dat komt omdat Amsterdam de kansen heeft gemist om zich van global city te ontwikkelen tot global capital (de begrippen zijn afkomstig van geografe Saskia Sassen). Er gebeurt in Amsterdam niet veel meer dat invloed heeft op mondiale ontwikkelingen, strategische beslissingen over politiek, cultuur en economie worden elders genomen. Wie iets wil, in de wetenschap, kunst of bedrijvigheid, vertrekt naar het buitenland: Londen, New York, Berlijn.

Ondanks zijn opgewonden toontje is Theodor Holman het volkomen eens met Pijbes, de stad is inderdaad smerig en hoerig. Het verschil tussen beide heren is de waardering van al die troep; wat Pijbes verschrikkelijk lijkt te vinden, is voor Holman juist verheugend. Hij zegt:

Pijbes heeft ook bezwaar tegen onze hoeren, al weet ik niet precies wat voor bezwaren hij koestert. Hij heeft het over een schimmige wereld die achter de Wallen schuilgaat. Maar ja, dat maakt die dames juist aantrekkelijk. Hoeren zonder schimmige wereld achter zich zijn huisvrouwen die voor een half litertje slagroom voor de melkboer hun rok optillen. Niet echt geil. Een wereldstad als Amsterdam mag smoezelig zijn. Dan gebeurt er wat. De stad moet stinken naar het zweet van verdorvenen. Cultuur, dus ook de Amsterdamse, heeft baat bij bederf.

Waarom Holman het heeft over ‘onze hoeren’ is trouwens niet helemaal duidelijk – we mogen toch niet aannemen dat hier het typische Parool-provincialisme achter steekt: Pijbes komt uit Rotterdam en heeft zich dus niet te bemoeien met ‘onze’ sores. Holman overschreeuwt zich, als gewoonlijk, maar graait net als Pijbes links en rechts medestanders bij elkaar om zijn standpunt een gewichtig aanzien te verschaffen. Hij meldt koket dat hij niet erg bereisd is, dus niet veel steden kan noemen als vergelijkingsmateriaal voor de toestand van Amsterdam. Wat hij aan dat soort kosmopolitisme mist, wordt gelukkig ruimschoots gecompenseerd door zijn onnavolgbare belezenheid. Hij zegt: ‘Waarom hou ik van Victor Hugo? Omdat hij het smerige Parijs zo meesterlijk beschreef. Waarom hou ik van Lord Byron? Omdat hij het vuige Venetië zo heerlijk bezong’. Het is moeilijk bij zoveel enthousiasme een kanttekening te maken; bovendien worden Paroollezers niet iedere dag op zo’n injectie van klassieke literatuur getracteerd. Maar … Victor Hugo die het ‘smerige’ Parijs meesterlijk beschreef? Hugo was een groot en belangrijk schrijver, hoewel Richard Cobb hem kwalificeert als France’s National Bore. Hij was een van de ‘secretarissen’ van de Franse samenleving in de negentiende eeuw. Maar een boek als Les Misérables, dat inderdaad voor een groot deel in Parijs speelt, zij het met name in de voorsteden, draait om armoede en gebrek – voor Hugo hetzelfde als criminaliteit. De opstandigheid van het zwoegende arbeidersvolk wordt behandeld, de barricades, de meedogenloze reactie van het Napoleontische regime, maar ‘smerigheid’ á la Pijbes? Ik zou bijna geneigd zijn Holman uit te dagen mij één passage te noemen uit al die vijf delen waar het gaat over vuilnis op straat. Hij zou het verliezen. En Lord Byron? Deze Engelse dichter heeft alles uit de kast gehaald om Venetië onsterfelijk te maken; hij maakt zich zorgen om het wegzakken van de stad – zal zij door het water worden verzwolgen?

O VENICE! Venice! when thy marble walls
  Are level with the waters, there shall be
A cry of nations o’er thy sunken halls,
  A loud lament along the sweeping sea!
If I, a northern wanderer, weep for thee,
What should thy sons do?—anything but weep?
And yet they only murmur in their sleep.
In contrast with their fathers, as the slime,
The dull green ooze of the receding deep,
Is with the dashing of the spring-tide foam,
That drives the sailor shipless to his home,
Are they to those that were; and thus they creep,
Crouching and crab-like, through their sapping streets.

 

Maar Byron is lyrischer dan ooit als hij de bekende plekken en gebouwen ter plaatse bezingt. Het is met hem als met Hugo: hooggestemde literatuur, geen straatvuil in zicht. Ik vrees dat Holman nog geen letter van Hugo of Byron zou herkennen als hij erover struikelde.

Je wordt niet veel wijzer van al die opwinding over Amsterdam. De stad is soms smerig, inderdaad, en druk, zeker. Maar wat is daar nieuw aan? Pijbes verwacht dat het de komende tijd steeds drukker zal worden – misschien heeft hij gelijk en misschien is het noodzakelijk daar oplossingen voor te bedenken. Zijn eigen oplossing is wat hij noemt een Deltaplan. Van zijn overdreven beweringen en kromme redeneringen verbaast dit me nog het meest. Weet hij wat hij zegt? Op 21 februari 1953, vlak na de grote watersnoodramp, stelde Minister Jacob Algera van Verkeer en Waterstaat de Deltacommissie in, onder leiding van A.G. Maris, directeur van Rijkswaterstaat. Deze commissie kwam met het beroemde Deltaplan – de bedoeling was om dijken te verhogen en waterdoorgangen af te sluiten: de Nederlandse bodem moest gevrijwaard worden van verzilting en het zeewater moest buiten de dijken gehouden worden. Nooit meer een overstromingsramp.

Wat wil Pijbes, een plan om de zwellende toeristenstroom tegen te houden? Een dijk om Amsterdam die alle buitenlanders en andere ongewenste troepmakers tegenhoudt? Als dat niet te bedoeling is zou ik in zijn plaats een andere naam verzinnen voor mijn plannen. Om iets voor mekaar te krijgen helpt het soms om tenminste voor vol te worden aangezien.