De Javastraat laat zien hoe het moet, lees ik in het Amsterdamkatern van NRC Handelsblad (28, 29 oktober 2017). Het is de kop van een rijk geïllustreerd stukje over de veranderingen die zich de laatste jaren in deze Amsterdamse winkelstraat (Indische Buurt) zouden hebben voorgedaan. De schrijfster, Jolanda van de Beld, reageert op een recente analyse in Vrij Nederland, waarin de Javastraat als een mislukt experiment werd afgedaan. Als ik het tenminste goed heb begrepen. Het opinieblad beweerde dat de ondernemingen in de Javastraat geen onderling verband hadden, maar als ‘los zand’ aan elkaar hingen. Het oude ideaal van de melting pot is gedoofd, was de conclusie.

Ik keek er nogal van op. Bestond er dan zo’n ideaal? Bij wie? Wat hield het in? In de literatuur over immigratie, assimilatie en integratie wordt onder melting pot het verschijnsel verstaan dat volksverhuizers en andere nieuwkomers die zich ergens vestigen, geheel en al opgaan in de bestaande bevolking. Na een generatie of wat kun je niet meer zien of iemand immigrant is, hij is ‘versmolten’ met zijn omgeving: geen systematisch verschil meer in opleiding, werk, gezinssamenstelling, maatschappijvisie met de rest van de bevolking. Liefst versterkt door amalgamatie in reproductieve zin: onderlinge huwelijken, en kinderen uit ‘gemengde ouders’. Omstreeks 1900 was dit een beleden ideaal in de Verenigde Staten van Amerika, uit alle delen van de wereld stroomden immigranten toe, vele miljoenen uit Ierland, Duitsland, Rusland, Polen, Scandinavië. Al die groentjes zouden binnen de kortste keren typische Amerikanen worden en hun eigen culturele erfenis inruilen voor de algemene, kosmopolitische levenswijze van een moderne, grootstedelijke samenleving.

Het bleek een illusie. Met name bij volksverhuizers die van het Europese platteland afkomstig waren, Andalusië, Sicilië, Silezië, Letland bestond nauwelijks animo om zelfs ook maar oppervlakkig kennis te nemen van wat het ‘beloofde land’ zoal te bieden had. Amerikaanse droom? Hou maar! Zelfs na enkele generaties spraken sommigen geen woord Engels. En deze halsstarrigheid werd alleen nog maar sterker naarmate er sprake was van immigranten uit gebieden met ‘exotische’ culturen: Latijns-Amerika, Afrika, Azië. De afwijzing van de ontvangende bevolking, in de vorm van racisme, geweld, uitsluiting, deed er geen goed aan. De situatie in het hedendaagse Nederland is een variant.

De Indische Buurt is een van de meest ‘multiculturele buurten’ van Nederland, er worden meer dan honderd talen gesproken, maar hoe oud kan het veronderstelde ideaal van de smeltkroes nou helemaal zijn? Zo’n veertig jaar geleden, anderhalve generatie, was er van immigranten nog nauwelijks sprake in de wijk. Nu bestaat de bevolking voor bijna zestig procent uit niet-westerse allochtonen: Surinamers, Antillianen, Marokkanen, Turken, al dan niet met een Nederlandse nationaliteit. Dat is een stormachtige ontwikkeling geweest. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw gold de wijk als een no go-area, geteisterd door massale criminaliteit en drugshandel. Van de oorspronkelijke bevolking was in die periode nog maar een klein deel aanwezig. Weggetrokken als gevolg van het verdwijnen van de werkgelegenheid uit het Oostelijk havengebied en bij de Spoorwegen. De ‘koperen bellenbuurt’ van vroeger, de arbeidersaristocratie, bestond in feite al sinds het eind van de jaren zestig niet meer. De karakterisering ‘los zand’, door Vrij Nederland in het leven geroepen, lijkt alleszins toepasselijk.

 


Los zand op het Javaplein

De Javastraat zelf zou van overheidswege een paar jaar geleden zijn herschapen in een mediterrane winkelboulevard. Het is maar hoe je het bekijkt, natuurlijk, toch valt het op dat er werk is gemaakt van de straat. Fraai meubilair, meer groen. Ik kom er graag, had er vroeger speciale winkeltjes voor produkten uit India. De straat is ruim en breed en steekt scherp af tegen de andere straten in de buurt, die nogal kleurloos en eentonig zijn. Vlak na de laatste eeuwwisseling, ik denk 2004, heb ik eens alle winkels in de Javastraat geturfd en berekend hoe groot het aandeel van de ‘etnische winkels’ was. Uiteraard met slagen om de arm, er kwam wat giswerk aan te pas. Ik kwam op omstreeks 40% en dat cijfer correspondeerde netjes met het percentage allochtonen in de buurt. Een paar jaar later, ik schat zo’n vijf jaar geleden, deed ik het nog eens over. Het aantal etnische winkels was in die korte tijd tot omstreeks 70% gestegen, flink boven het percentage van de etnische buurtbevolking als geheel: omstreeks 55%.

Etnisch ondernemerschap, exotische winkels, kleine, ambachtelijke bedrijfjes, zijn onmiskenbare tekenen voor de blijvende aanwezigheid van immigranten. In Amsterdam vind je diverse clusters van zulke vestigingen. Plein ’40-’45 is zo’n plek. In het overdekte winkelcentrum vind je de usual suspects, zoals Albert Heijn, Hema, Blokker, Zeeman, Bart Smit, Kruidvat, Dixons, daarbuiten, langs de Burgemeester de Vlugtlaan heb je Zimba, Marokkaanse bruidsmode, winkeltjes voor fournituren, slagerijen, bakkers, kruideniers. Iets verderop een Turkse supermarkt, tapijtenwinkel, meubilair. In de Pijp treft je zo’n concentratie rond de Albert Cuypmarkt, in Amsterdam-Zuidoost zodra je de Amsterdamse Poort achter je laat. En in de Indische Buurt dus de Javastraat.

De afdeling Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam heeft cijfers verzameld over de veranderingen in het winkelbestand van de straat tussen de situatie van veertig jaar geleden en nu. Het aantal winkels is in die tijd sterk gedaald: van ruim honderd naar minder dan zeventig. Wat de soorten winkels betreft is de vermindering van schoenen- en kledingwinkels het opvallendst. Destijds nog vrijwel een kwart van alle winkels in die branches, nu net iets meer dan 10%. Het aantal telefoonwinkels is sterk toegenomen, maar nog opvallender is dat voormalige winkelruimten nu bezet worden door horeca (eethuisjes) of kapsalons. Er bestaan nog maar twee winkels in de Javastraat die er veertig jaar geleden ook al zaten. In het NRC Handelsblad-artikel wordt melding gemaakt van de Horecanota van vijf jaar geleden. Daarin werd de Javastraat bestempeld als een ‘uitbreidingsgebied’: meer ruimte voor horeca, minder voor groentezaken en belwinkels. Dit mede in overeenstemming met de komst van weer andere nieuwkomers: jonge, hoogopgeleide, creativelingen, zoals kunstenaars, studenten, filmers. Niet iedereen is blij met die ontwikkeling. Een winkelier zegt: Mensen komen hier om bier te drinken en dan zijn ze weer weg, dat is niet mijn publiek. Desondanks veel vreugdegeluiden. Het succes van de Javastraat wordt in de krant uitgedrukt door een stuk of tien foto’s van winkeliers die met elkaar poseren. De visboer en de snackbar, de traiteur en de juwelier, het Surinaamse eettentje en de witgoedwinkelier, de telefoonwinkel en de textielzaak. Boodschap: het zit wel degelijk goed met die melting pot. Maar wat de schrijfster er nou eigenlijk precies mee bedoelt, is me niet duidelijk. Smeltkroes in welke zin?

 


Melting pot

Wat het stuk laat zien is hoe een winkelstraat fundamenteel van karakter kan veranderen, al naar gelang de aard van de omgeving. Voor zover de winkels een afspiegeling vormen van samenstelling van de bevolking lijkt het van buitenaf op een smeltkroes, maar betekent dit in de praktijk aanpassing, integratie of zelfs amalgamatie? Ik waag het te betwijfelen. Ongetwijfeld kunnen sommige winkeliers het goed vinden met hun buren, maar of dit méér is dan los zand? Om die vraag te beantwoorden is iets meer nodig dan wat aardige groepsfoto’s.

 

illustraties
foto’s genomen door Lodewijk Brunt (copyright)