Dat een groepje ‘kritische dierenartsen’ zich heeft uitgesproken over de misstanden in de slachthuizen die door hun collega Thiadrik Blom zijn gesignaleerd, is mooi van ze. Want Blom zélf zit thuis: zijn houding als controlerend dierenarts werd door de autoriteiten contraproductief genoemd, zijn gedrag en handelen roept keer op keer weerstanden op. Het stond in het weekend van 24 en 25 juni te lezen in NRC Handelsblad en de ingezonden brieven zijn sindsdien blijven toestromen, vooral ook over de genoemde ingezonden mededeling van de dierenartsen die een paar dagen later op de opiniepagina van dezelfde krant stond. Ze tillen de wantoestanden in de slachterijen op een ander niveau dan Blom had gedaan en klagen in feite de ‘gehele intensieve veehouderij’ aan: megastallen, stalbranden, onverdoofd slachten, volksgezondheid, mestoverschotten, klimaatverandering en wat al niet.

 


De gehele intensieve veehouderij

Hoe sympathiek je de actie ook mag vinden, ze roept bij mij de vraag op: was het ‘vroeger’ (c.q. elders) dan beter? Toen er nog geen megastallen bestonden en er van klimaatverandering nog geen sprake was? Ik heb gezien hoe dieren werden geslacht in Noord-Afrika, in de openlucht, terzijde van drukbezochte markten. Hygiëne? Nou, nee, niet bepaald. Ik liep er tot mijn enkels door het bloed en struikelde over hele roedels van gulzige honden die zich tegoed deden aan stukken vlees die her en der op de grond werden gesmeten. Ik heb in Ivoorkust afgeladen veewagens gezien die dagenlang in de brandende hitte stonden op uitgestorven stations. Ik heb gezien hoe op markten in India grote hoeveelheden kippen werden aangevoerd in kooien waar zelfs geen kuiken rechtop kon staan. De kopers reden weg met bosjes van minstens twintig levende kippen, met de poten aan elkaar vastgebonden, achteloos over het fietsstuur en de bagagedrager geslingerd. Heilige koeien? Laat ik er maar over ophouden.

Packingtown was de plaats van de grootste slachterijen ter wereld, in Chicago. Uit alle omringende staten werd vee aangevoerd en het vlees ging na de slacht met koelwagens van de spoorwegen naar de grote bevolkingscentra aan de Oostkust: New York, Boston, Philadelphia. In het laatste kwart van de negentiende eeuw zag je de opkomst van het industriële slachten. Het aangevoerde vee werd door de Union Stock Yard Company gewogen om de prijs te bepalen en vervolgens in groepen naar de packinghouses gedreven, het ging om vele tienduizenden stuks vee per dag. Een heidense onderneming. De wegen naar de toegangspoorten waren spekglad van de stront en de pis, dieren gleden uit, kwamen ten val en werden soms vertrappeld. Regelmatig brak er paniek uit en sloegen kuddes op hol. De drijvers beschermden zich tegen deze levensgevaarlijke risico’s met uitzonderlijke, nodeloze wreedheid.  In de studie van Dominic A. Pacyga over het industriële Chicago uit de periode 1880-1920 is te lezen: Animals that died in transit or while being taken to the packinghouses lay piled on the side of the docks and alleys to be removed later, adding to the general unpleasantness of the job of driving animals to slaughter.

Ook toen waren er journalisten, onder andere van de toonaangevende Chicago Tribune, die zich kwaad maakten over de misstanden. Maar het klassieke protest was uiteraard afkomstig van de schrijver Upton Sinclair die in 1905 zijn roemruchte The Jungle publiceerde. Het boek sloeg in als een bom. Hoofdpersonen zijn Marija Berczynskas en Jurgis Rudkus, recente immigranten uit Litouwen. Ze raken verliefd en willen trouwen. Jurgis, met zijn handen als kolenschoppen, krijgt een baantje bij de slachterijen. Ze wonen in een huisje van omstreeks tien vierkante meter in de Stockyards—aantal inwoners ongeveer een kwart miljoen, merendeels Oost-Europeanen, met name Polen; Chicago is na Warschau de grootste Poolse stad. Door de naïeve blik van Jurgis laat Sinclair zien hoe Packingtown eruitziet.

In de yards bestaat bijna een kwart vierkante kilometer uit hokken voor de runderen, varkens, schapen en geiten. Zo ver als het oog kan zien, een oceaan van hokken. Allemaal propvol. Zoveel vee dat niemand ooit had kunnen dromen dat er op de wereld was. In de letterlijke woorden van Sinclair: Red cattle, black, white, and yellow cattle; old cattle and young cattle; great bellowing bulls and little calves not an hour born; meek-eyed milch cows and fierce, long-horned Texas steers. The sound of them here was as of all the barnyards of the universe; and as for counting them—it would have taken all day simply to count the pens.

Jurgis krijgt te horen dat er niets verloren gaat van de dieren die worden aangevoerd. En dan volgt misschien wel de beroemdste zin uit de Amerikaanse literatuur: They don’t waste anything here, they use everything about the hog except the squeal. Sinclair heeft zich grondig georiënteerd en heeft weken meegelopen met de arbeiders van Packingtown. Het was hem te doen om de beroerde arbeidsomstandigheden. De slacht was ooit een activiteit geweest die werd uitgevoerd door een ambachtelijke slager met een paar assistenten, beest voor beest, maar onder fabrieksomstandigheden waren alle activiteiten opgedeeld in partjes. Werkzaamheden aan lopende band, geschikt voor ongeschoolde, goedkope, domme krachten. Geen wonder dat Upton Sinclair zo’n beetje de enige Amerikaanse schrijver was die getolereerd werd in de Sovjet-Unie: hij toonde het perverse karakter van het moderne kapitalisme. Maar juist het ongeschoolde werk bracht veel schade toe aan zowel mens als dier. Tot uitgesproken onvrede van de ‘bazen’, overigens, iets wat we ons misschien niet altijd realiseren. Een wrede behandeling van de slachtdieren kon de kwaliteit van het vlees aantasten, wat met name opging voor varkens. Zoals Pacygo opmerkt: The packers constantly warned their employees against the harsh treatment of animals.

 


Harsh treatment

Maar op de werkvloer van slachterijen is harsh treatment blijkbaar niet te vermijden en Sinclair biedt talloze voorbeelden van de slordige manier waarop het slachtproces plaatsvindt. De dieren werden met voorhamers tussen de ogen bewusteloos geslagen, al een hele verbetering van de traditionele ‘speermethode’, waarbij de zenuwstreng achter de kop werd doorboord. Maar heel wat dieren kwamen bij uit hun bewusteloze toestand voordat ze gedood konden worden. De slachtvloer was onvoorstelbaar smerig en over het hele gebied hing een ondraaglijke stank. Veel arbeiders werden geteisterd door enge ziekten en aandoeningen—van verzekering tegen ziektekosten of werkloosheidsuitkeringen had nog nooit iemand gehoord. In de ruimte waar het rundvlees werd verpakt in blik, haalden de arbeiders het vlees met enorme vorken uit vaten vol chemicaliën. Het werd op wagens gesmeten, op weg naar de kookruimten. De lege vaten werden over de vloer gekieperd en met harken en scheppen werden de resten van de vloer gehaald en bij het vlees op de karren gegooid. Alle restjes werden verzameld en gebruikt, ook die uit de afvoerputten.

 


Moordwapen

Het slachtproces was meedogenloos. Jurgis ziet het aan en wordt bekropen door filosofische bespiegelingen. Was er nergens een god van de varkens voor wie de persoonlijkheid van het varken waardevol was en medelijden had met een dier in doodsnood? Wie zou het dier in zijn armen nemen en troosten, hem belonen voor zijn opofferingen en hem uitleggen wat de zin was van deze slachtpartij? Jurgis wist één ding zeker: I’m glad I’m not a hog!

The Jungle deed veel stof opwaaien, maar aan de positie van de arbeiders veranderde niets. Wel kwam er toezicht op de hygiënische situatie van de slachterijen en werden er pogingen in het werk gesteld om het vlees zo schoon mogelijk bij de uiteindelijke consument te krijgen. Ik had een beroep willen doen op het sociale geweten van mijn lezers, zei Upton Sinclair, maar ik heb ze alleen in hun maag geraakt.

 

illustraties
Knuffelvarken; bron: foto Lodewijk Brunt (copyright)
Kippenfarm; bron: duurzaamdeurne.net
Varkens aan het spit; bron: veeteelt.nl