De drukte in de binnenstad van Amsterdam is een geaccepteerd gespreksonderwerp geworden, ook onder bewoners van de binnenstad zelf. Vroeger werd je beschouwd als een aansteller als je de overlast van toeristen en dagjesmensen aan de orde stelde–‘waarom ga je niet ergens anders wonen?’–nu vind je instemmend gehoor. In het verenigingsblaadje van de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad stond onlangs een soort aanklacht. De strekking was, ik parafraseer: waarom stelt de gemeentelijke overheid steeds meer publieke ruimte ter beschikking aan particulieren om er hun feestjes en festivals te vieren en waarom moet dat zonodig plaatsvinden in het centrum? En: waarom moeten bewoners hun auto’s van de hand doen terwijl er ontelbare taxi’s en stadstoerbussen leeg door de stad rijden; waarom moeten bewoners voor iedere kleine verbouwing door stadsdiensten op de vingers gekeken worden terwijl historische panden zonder meer tot hotel worden omgebouwd. De short stay–waarbij bewoners hun huis verhuren aan toeristen–is volkomen uit de hand gelopen; de gemeente laat het lijdelijk begaan, als het de heren al interesseert. Aan nachtelijke overlast wordt evenmin iets gedaan, enzovoort. Zelfs tot NRC Handelsblad–in gewone doen mijlenver boven het ordinaire straatgewoel verheven–is doorgedrongen dat er iets aan de hand is. Een paar weken geleden (15, 16 augustus 2015) kreeg Herman Vuijsje–binnenstadbewoner–de gelegenheid uitvoerig uit te pakken over de problematiek.

Het klonk dramatisch. Jongens die in zijn portiek staan te pissen, nachtelijke herrie langs de gracht, drollen op de stoep–de shit rijst de pan uit. De binnenstad kraakt en zucht in haar voegen. En de narigheid neemt toe, de gemeentelijke autoriteiten en plaatselijke ondernemers doen er alles aan om het toerisme, met name het goedkope massatoerisme, te bevorderen. Vuijsje oppert dat we in de nabije toekomst misschien kaartjes moeten gaan verkopen aan mensen van buiten die de stad willen bezoeken. De problematiek kan alleen in economische termen worden opgelost. Quotering werkt als een zeef, betoogt hij, alleen de werkelijk geïnteresseerden hebben er geld voor over.

Al dat geklaag is ook Auke Kok opgevallen. Hij is blijkbaar als columnist is aangetrokken om de armetierige wekelijkse NRC-bijlage over Amsterdam iets meer gewicht te geven. Afgelopen vrijdag schreef hij een stukje over de rancuneuze grachtengordel. Volgens hem een nieuw fenomeen. Hij neemt een vriend–genaamd ‘J’–als voorbeeld van een algemener verschijnsel. J is een verstandige vijftiger, hij stemt op nette partijen en oefent een keurig beroep uit. Als stereotype centrumbewoner is hij hoogopgeleid–en zit hij vol ongenoegen over de meer dan 15 miljoen toeristen en dagjesmensen die Amsterdam jaarlijks bezoeken. Kok signaleert dat iedere binnenstadbewoner, net als J, binnen een kwartier begint te klagen over de drukte. En dan speciaal over de drukte veroorzaakt door buitenlanders. Nog even en de centrumbewoner is een regelrechte xenofoob.

 

Auke Kok is kennelijk geen binnenstadbewoner en schept er een duivels genoegen in de bevoorrechte kaste, zoals hij binnenstadbewoners als zijn vriend J aanduidt, te kijk te zetten. Leedvermaak? Misschien. De draai die hij aan het ‘nieuwe fenomeen’ geeft, is curieus. Ik hoor de bewoners van mijn binnenstadsbuurt wel eens klagen over geluidsoverlast, drukte, rotzooi, maar nooit specifiek over buitenlanders. Het is ook serieus de vraag of de chaos wel zo duidelijk aan buitenlanders kan worden toegeschreven. Ik denk veeleer aan dagjesmensen uit de provincie die totaal ‘uit hun bol’ gaan als ze een dagje grote stad komen doen; het opgewonden geschreeuw dat ik tot diep in de nacht langs mijn huis hoor opklinken, heeft altijd een grof-Nederlandse oorsprong. De boten die door de gracht varen zijn uitgerust met zware luidsprekers waaruit André Hazes schalt. De mensen die me de weg vragen naar de hoerenbuurt spreken vrijwel altijd Nederlands, of wat daar voor door moet gaan.

Amsterdam is een soort Efteling geworden voor de opgeschoten, oudere jeugd uit de rest van Nederland. Je mag je daar gedragen op een manier die in de Vinexwijken van Purmerend, Alkmaar of Amersfoort ondenkbaar is en niet getolereerd zou worden. De Amsterdamse binnenstad is een gratis uitgaanscentrum van patat en bier; dat er in zo’n oord gewoond en gewerkt wordt is moeilijk voorstelbaar voor provincialen die zijn opgegroeid in een omgeving waarbij wonen, werken en vermaak rigoureus gescheiden zijn. Ik loop een paar keer per week ’s ochtends vroeg over straat. Een korte route door mijn buurt. Wat je op het trottoir ziet liggen zijn de resten van een avondje ‘stappen’: zakken patat, bierblikjes, lege sigarettenpakjes, wikkels, snoeppapiertjes, sigarettenpeukjes, kauwgom, dozen, servetjes, kartonnen en plastic bekers, etensresten, toegangskaartjes, brochures, lege of halfvolle bierglazen en, niet te vergeten, veel kots en stront en urinestank. Er zal ongetwijfeld afval bijliggen door buitenlanders achtergelaten, maar mijn overheersende indruk is dat het overwegend ‘landgenoten’ zijn die de stad tot zo’n dagelijks terugkerende puinhoop maken.

Kok heeft gelijk dat er steen en been wordt geklaagd over het fietsgedrag van buitenlandse toeristen. Ik ken het maar al te goed: groepjes die precies op de hoek van de straat blijven staan om de plattegrond te raadplegen, fietsen die over de weg slingeren, mensen die aan de verkeerde kant van de straat fietsen en die vergeten hun hand uit te steken als ze ergens afslaan. Voor hetzelfde geld kun je ook de voetgangers noemen die midden over het fietspad lopen of plotseling oversteken zonder op- of omkijken. Inderdaad, duidelijk het soort volk dat niet gewend is om zich voort te bewegen door een volstrekt anarchistische verkeersrepubliek, maar de klachten over dat fenomeen zijn bepaald niet typerend voor binnenstadsbewoners. Zoals Kok aan de habitus van zijn grote vriend J. had kunnen aflezen: binnenstadsbewoners hebben alle belangrijke voorzieningen op loopafstand en fietsen vermoedelijk aanzienlijk minder dan bewoners van de buitenwijken.

Het zal in bepaalde kringen op hoge prijs worden gesteld om het grachtengordeldom een keer op z’n plaats te zetten–vreemdelingenhaters, alsjeblieft!–maar om te overtuigen zal Kok toch met zwaarder geschut over de brug moeten komen. Misschien moet hij de binnenstad iets vaker bezoeken; zoals hij weet, er is plaats genoeg.

 

illustraties:
drukte in de stad; bron: amsterdamsebinnenstad.nl
dagjesmensen; bron: parool.nl