Dit jaar is het zestig jaar geleden dat The Country Girls werd gepubliceerd—voor de schrijfster, Edna O’Brien, is het trouwens een dubbel jubileumjaar: ze wordt eind van het jaar negentig. Als God het wil, ten minste, maar daar kunnen we niet al te vast op rekenen; ze heeft alles gedaan wat Hij ten strengste verboden had. De publicatie van haar boek verwekte een schandaal in het Rooms-katholieke kalifaat dat Ierland in de jaren zestig nog steeds was; een aartsbisschop, die het werk uiteraard niet gelezen had, noemde The Country Girls een verzameling smeerlapperij en viezigheid, een van zijn priesters nam het initiatief tot een boekverbranding, de officiële censor van de Ierse staat verbood het boek wegens de vunzige seksuele inhoud. Bekende, gezaghebbende schrijvers als L.P. Hartley en Frank O’Connor gooiden er nog een schepje bovenop: de een zei dat Edna O’Brien een slechte smaak voor mannen had en de ander dat haar hoofdpersonen een stel nymfomanen waren.

Ik beken het maar eerlijk—er zijn in dit coronatijdperk momenten dat ik niet aan het virus denk. Een dag of wat geleden was ik bezig met een stukje over het schrijven (zie elders op deze website) en daarbij trok ik ook Country Girl van O’Brien uit de kast (London, 2012). Het is haar memoir, zoals dat heet, en hoewel ik weinig over mijn onderwerp vond, bleef ik er onwillekeurig in lezen. Ik kende Country Girls nog vagelijk van vroeger, het moet nog ergens in de jaren zestig zijn geweest dat ik het las, en wat me al lezend in deel I van de herinneringen opviel, was de sterke overeenkomst in sfeer en personages tussen memoires en roman. De roman kwam weer terug, leek het wel. Uit nieuwsgierigheid heb ik het boek herlezen en inderdaad, O’Brien heeft uitbundig gebruik gemaakt van omstandigheden en gebeurtenissen uit haar jeugd en adolescentie. Niets bijzonders, uiteraard, schrijvers doen dat nu eenmaal, maar je krijgt niet altijd het vergelijkingsmateriaal op een schoteltje aangereikt.

O’Brien zélf is duidelijk de Cait (Caithleen, Kate) uit de roman; hun afkomst is grotendeels identiek; het geïsoleerde Ierse platteland, in the middle of nowhere, de verschrikkelijke vader die al het geld opzuipt en vergokt en de grond van zijn boerenbedrijf weggeeft om zijn schulden af te betalen. O’Brien schrijft nog betrekkelijk afstandelijk over haar vader, maar haar alter ego Cait koestert een diepe haat tegen hem en schaamt zich dood voor zijn gedrag. De boerenknecht die het bedrijf vrijwel in z’n eentje draaiend houdt, Hickey, heette in het echt Carnero: roguish, lackadaisical and disinclined to wash. Een vreetzak die brandhout stal van het bedrijf om goede maatjes te blijven met de plaatselijke kroegbazen. Edna kon prima met hem opschieten, bracht hem tussen de middag zijn lunch als hij achter in het veld bezig was turf te steken. Op zaterdagavonden bracht hij lekkers voor haar mee: chocoladerepen, zuurstokken of Turkish Delight. Ze stopte het snoepgoed weg in een schooltas die ze af en toe opendeed om van de aanblik te genieten. Als de verleiding haar te machtig werd, propte ze zó een paar repen achter elkaar naar binnen.

 


Boerendochter.

Ik werd opnieuw ontroerd door Cait’s enthousiasme voor de grote stad (Nou ja, groot? Het was maar Dublin). Ze komt daar met boezemvriendin Baba terecht nadat ze zich met opzet van de kloosterschool hadden laten wegsturen. We had never seen so many people in our lives, vertelt Cait. Jesus, Cait, this is life, riep Baba achterin de taxi die hen van het station naar hun pension bracht. O’Brien noemt het deel van haar herinneringen dat over Dublin gaat Big Time. Ze weet de kennismaking met de stad na al die jaren nog meesterlijk over te brengen. Dublin was enthralling: the street lighting marvellous. Light flooded the pavements and glinted off the steel of the defunct tramlines, and sent a gold-threaded haze up into a line of young trees where birds roosted. Cait en Baba spenderen hun eerste avond in de stad met het consumeren van ijs en chips. Jesus, we are living at last, zei Baba, die om zich heen keek of er leuke jongens in de buurt waren. Het is hier goed, bevestigde Cait en haar innerlijke stem vervolgde: I meant it. I knew now that this was the place I wanted to be. Forevermore I would be restless for crowds and lights and noise. I had gone from the sad noises, the lonely rain pelting on the galvanized roof of the chicken house; the moans of a cow in the night, when her calf was being born under a tree. Het eeuwige refrein: stadslucht maakt vrij—op de achtergrond speelt dit thema een beslissende rol. O’Brien is een schrijver naar mijn hart, eerlijk gezegd was ik dat de afgelopen decennia een beetje vergeten.

Een centraal personage in The Country Girls is Mister Gentleman, een keurig heerschap van Franse afkomst en een naam die niemand kan uitspreken. Hij heeft zich op het Ierse platteland teruggetrokken met zijn vrouw en geniet van zijn splendid isolation. Hij is bevriend met de ouders van Baba, die als veeartsen tot de plaatselijke notabelen behoren. Mr Gentleman heeft een oogje op Cait, ook al is ze bij hun eerste ontmoeting pas een jaar of veertien. Als hij de kans krijgt, gaat hij een stukje met haar rijden in zijn dure auto, met haar varen in zijn boot of naar de bioscoop in Limerick. Ze doen aan handjevrijen en door zijn Franse accent en zijn beschaafde manieren raakt ze volstrekt idolaat van hem; hij is het tegendeel van de rauwe boerenkinkels waartussen ze is opgegroeid. De climax van het boek is dat hij haar laat zitten, hij komt zijn belofte niet na om samen een weekje naar het buitenland (Wenen) te gaan. Uiteindelijk durft hij de confrontatie met zijn vrouw niet aan.

De verhouding tussen Cait en een getrouwde man zal een keiharde steen des aanstoots geweest zijn in het kalifaat; ik vond het daarom verrassend om te lezen wie model had gestaan voor Mr. Gentleman: Sean McBride, met wie O‘Brien contact had toen ze al getrouwd was. Ze hadden samen de lunch gebruikt in een van de sjiekste restaurants van Dublin, Jammet’s, en hij stond erop haar naar huis te brengen. I was too frightened to let him hold my hand on the journey. That rectitude, combined with my longing, was what made him the protagonist in my first novel, the aloof and mysterious barrister, whom Kate would moon over and lose her heart to, in fiction. Afgezien van de liefde van een jonge boerendochter voor een welvarende stadse ‘heer van stand’, staat er in de roman overigens geen onvertogen woord. Vanuit het perspectief van de 21ste eeuw is de morele opwinding over het boek bijna niet voor te stellen. De tijden zijn wel degelijk radicaal veranderd.

 


Grande dame O’Brien

Het verlangen naar vrijheid waarvan de eerste roman doortrokken is, heeft nog een ‘dubbele bodem’. Toen O’Brien haar boek schreef (in drie weken!—ze zei later: het werk schreef zichzelf) was ze getrouwd. Na een paar jaar begon het huwelijk verstikkend te worden. Haar echtgenoot was jaloers op haar succes, eiste al het geld op dat zij met haar schrijfwerk verdiende en bazuinde rond dat haar boeken in werkelijkheid door hém geschreven waren. In de periode dat ze gingen scheiden heeft hij, op hààr kosten, alles geprobeerd om haar uit de ouderlijke macht te laten ontzetten (ze hadden twee zoontjes). Zoals talloze Ieren vóór en ná haar, heeft O’Brien het land verlaten en is naar Londen uitgeweken. Desondanks heeft ze een onmisbare bijdrage geleverd aan het doorbreken van de beklemmende en naargeestige katholieke lockdown van de Ierse Vrijstaat.

 

illustraties
Edna O’Brien; bron: resp. New Statesman; The New Yorker; Financial Times