Brexit heeft bij menige inwoner van het Verenigd Koninkrijk tot een gewetensonderzoek aanleiding gegeven. Als we ons terugtrekken op onszelf, wie of wat zijn we dan eigenlijk. Wat is dat, de Britse identiteit? Bij de voorstanders van Brexit merk je dikwijls illusies van een groots verleden, de wereldmacht die het land ooit was, het imperium waar de zon nooit onderging. Een verlangen naar de Great Yesterday, zoals iemand het onlangs uitdrukte. Illusies, inderdaad, want dat imperium bestaat allang niet meer, het kreeg de definitieve doodklap na de Tweede Wereldoorlog toen eerst India en Pakistan onafhankelijk werden en daarna, tot in de jaren zestig, de hele reeks van andere voormalige Aziatische en Afrikaanse koloniale gebieden.

Ach, ja, de Commonwealth bestaat nog, maar veel meer dan een krampachtig in stand gehouden poppenkast stelt het niet voor. Sportwedstrijden, de Commonwealth Games, plichtmatige bezoekjes van leden van de decadente Britse royal family. Als we ons losscheuren uit de Europese Unie, zal het oude imperium weer realiteit worden… Rule Britannia, rule the waves:

When Britain first, at Heaven’s command
Arose from out the azure main;
This was the charter of the land,
And guardian angels sang this strain:
“Rule, Britannia! rule the waves:
“Britons never will be slaves.”

In hoofdstuk 23 van Middle England, de fraaie Brexitroman van Jonathan Coe, overpeinst Sohan het begrip Deep England dat sinds de discussies over het referendum en de nasleep opgeld doet. Wat is dat precies?, vraagt hij zich af tijdens de gesprekken over het onderwerp met vriendin Sophie. Een psychogeografisch iets misschien, dat te maken heeft met de village green, rode telefooncellen, rieten dak van de plaatselijke pub of de subtiele klappen waarmee de slagman de cricketbal het verre veld inslaat? Of wellicht moet je je verdiepen in de boeken van Chesterton en Priestley, H.E. Bates en L.T.C. Rolt om het helemaal te kunnen begrijpen. Helpt het misschien als je A Canterbury’s Tale ziet van Michael Powell of Went the Day Well van Cavalcanti? Zit het verborgen in de muziek van Elgar, Vaughan Williams of George Butterworth? De schilderijen van Constable? Sohan oppert zelfs J.R.R. Tolkien en diens Shire, het gebied waar de Hobbits verblijven — normaal gesproken een tevreden volkje maar angstaanjagend als ze opgezweept worden; ideale partners bij een crisis.

De beginnende romanschrijver Benjamin Trotter, een andere hoofdfiguur uit het boek, wordt door zijn vriend, de politieke columnist Doug, opgestookt om een boek te schrijven over zijn tijd in Oxford (Balliol-college). Hij had toen een paar weken een kamer gehad op dezelfde gang als Boris Johnson. Benjamin protesteert: Johnson had hem nooit één blik waardig gekeurd—wie geen achtergrond in Eton had, bestond nu eenmaal niet. Realiseer je je wel dat je in Oxford was tijdens het begin van iets belangrijks, dringt Doug aan. Het was de tijd dat een hele generatie Conservatieve studenten de Oxford Union overnam, ze werden allemaal goede vrienden, voor zover ze dat al niet waren, en uiteraard ook rivalen. Hun gesprekken gingen over Margaret Thatcher, die ze als de allergrootste Britse premier uit de geschiedenis beschouwden. Ook de Europese Unie was een geliefd gespreksonderwerp: het Verenigd Koninkrijk zou daar zo snel mogelijk uit moeten stappen.

Ze werden lid van de beruchte Bullingdon Club om te gaan eten in dure restaurants die ze na afloop van de maaltijd kort en klein sloegen, uiteraard op kosten van hun rijke ouders. En al die tijd deden ze alsof ze het land bestuurden. David Cameron, Michael Gove en Jeremy Hunt studeerden er in de jaren tachtig, George Osborne een paar jaar later. Al deze klootzakken kenden elkaar, vervolgde Doug, en nu regeren ze het land, doen ze nog steeds hun machtsspelletjes, maar in plaats van in de Union gebeurt het nu op landelijk niveau… and we were all having our lives shaped and redirected by these people and their stupid infighting whether we’d voted for them or not.

Boris Johnson is bijna een parodie van zichzelf, een perfecte personificatie van de Oxfordse corpsbal. He is saying more than he knows, merkt Simon Kuper op in zijn column voor The Financial Times. De columnist weet waarover hij spreekt, hij heeft zelf in  Oxford gestudeerd. Johnsons accent en de manier waarop hij zich kleedt, stonden er hoog aangeschreven. Kuper citeert uit een biografie, waarin wordt gesproken van Johnsons plummy speech (in het Nederlands zou je misschien zeggen ‘bekakte manier van praten’, hoewel dat toch niet helemaal hetzelfde is) en zijn vele aaaaghs en errs en grsss, wat klinkt als geaffecteerd gestotter. Geluiden die je ook kunt beluisteren in de oude tv-serie Brideshead Revisited, die zich voor een flink deel in Oxford afspeelt. Anthony, goede vriend van hoofdpersoon Sebastian Flyte, is de excentrieke verschijning die zó als voorbeeld voor Johnson had kunnen fungeren en dat misschien wel gedaan heeft. Sommige leden van Monty Python’s Flying Circus waren in staat die aanstellerij exact te imiteren—maar ja, kunst, die kwamen uit hetzelfde milieu.

In een andere Brexitroman tref je eveneens een verwijzing naar de spraak van de ‘betere klassen’ aan. In het eerste hoofdstuk van John le Carré’s Agent Running in the Field ontmoet agent Nat op zijn sportschool een ambitieuze jongeman, Ed, die graag tegen hem wil spelen met badminton. Nat probeert als de spion die hij nu eenmaal is, deze Ed te plaatsen; wat is hij voor iemand? And his voice itself, of which by now I have a fair sample? In the time-honoured British parlour game of placing our compatriots on the social ladder by virtue of their diction I am at best a poor contestant, having spent too much of my life in foreign parts. But to the ear of my daughter Stephanie, a sworn leveller, my guess is that Ed’s diction would pass as just about all right, meaning no direct evidence of a private education. Ed kan ermee door, geen Oxford clown.

Ook in andere Europese landen zie je de bezinning op de eigen identiteit, misschien mede onder invloed van Brexit, maar méér nog als gevolg van de massale toestroom van vluchtelingen en (al dan niet legale) immigranten. In Nederland het proces van ‘omvolking’ genoemd, een stuitende aanduiding die rechtstreeks uit het fascisme van de jaren dertig stamt. Al die ‘buitenlanders’ zouden een bedreiging vormen van ‘onze’ cultuur: het feest van Sinterklaas en Zwarte Piet zou worden bedreigd—om maar eens iets te noemen. (Ik ben een geheide Nederlandse autochtoon, maar mijn cultuur is dat beslist niet; Sinterklaas mag wat mij betreft vandaag nog verdwijnen met al zijn Veegpieten, maar daar gaat het nu even niet om). Dat soort platte praat is trouwens ook in het Verenigd Koninkrijk te beluisteren, de Brexit-kwestie heeft heel wat abject racisme en xenofobie aan het licht gebracht. Maar Jonathan Coe laat zien dat er in Middle England daarnaast wel degelijk ook andere waarden op het spel staan: muziek, toneel, schilderkunst en literatuur. Helaas, ik heb het sterke vermoeden dat Wilders en de zijnen, Pegida en de Blokkeerfriezen nog nooit een theater hebben bezocht of een boek van dichtbij hebben gezien.

 

illustratie:
Boris Johnson; bron: news sky.com