Huiver. De geestelijk vader van tv-serie The Wire, David Simon, werd aangesproken door The Marshall Project (ik las de Nederlandse vertaling in 360, no. 78
[mei, juni 2015]). Aanleiding: een politieman in Baltimore schiet de zwarte jongen Freddie Gray dood, met als gevolg een ongekende woede-uitbarsting in de stad. Simon weet waar hij het over heeft, hij werkte als journalist voor de Baltimore Sun en is auteur van Homicide: A Year on the Killing Streets en The Corner, een voorstudie voor zijn adembenemende opus, door velen beschouwd als de beste tv-serie ooit gemaakt. Volgens hem is door de drugsoorlog het respect voor de fundamentele mensenrechten volstrekt uitgehold bij de Amerikaanse stadspolitie. Overigens sterk aangemoedigd door de plaatselijke autoriteiten en gezagsdragers – politici, hogere politiefunctionarissen, volksvertegenwoordigers, rechters, advocaten. Leden van arme bevolkingsgroepen raken steeds meer overgeleverd aan willekeur. Het begrip ‘redelijk vermoeden van schuld’, aldus Simon, heeft geen inhoud meer. Hij herinnert zich cynische grappen van politiemannen: Weet je wat een redelijk vermoeden van schuld is? Je rijdt voorbij in je patrouillewagen en een vent kijkt je twee seconden te lang aan. Zelfs het Fourth Amendment, dat burgers moet beschermen tegen onredelijke arrestaties of fouillering, wordt beschouwd als teveel van het goede op straatniveau: een groot deel van de binnenstad werd tot drugsvrije zone uitgeroepen door de gemeenteraad. Dit betekende de facto dat dit gebied verboden terrein werd voor de eigen bewoners en dat je aangehouden en gefouilleerd kon worden als je ergens rondhing (…) een vrijbrief voor de politie om totaal willekeurig op te treden en zelf te bepalen hoe ze die verdomde straten schoonveegden.

Dat Baltimore geen uitzondering is, weten we maar al te goed, denk aan Ferguson. Vorig jaar verscheen On the Run: Fugitive Life in an American City, een etnografisch verslag van de situatie die David Simon beschrijft, maar dan in Philadelphia. Het boek is de uitwerking van een dissertatie, het onderzoek werd verricht door Alice Goffman in een verpauperd gebied vlakbij de Universiteit waar ze studeerde. Ze heeft jarenlang rondgehangen in een straat, in haar boek aangeduid als 6th Street, en verkeerde op goede voet met de bewoners, onder wie harde jongens die nauw betrokken waren bij drugshandel en andere vormen van criminaliteit. Een prestatie van formaat. Als je een foto ziet van de onderzoekster, op het oog een nogal verlegen, blanke jongedame, vraag je je af hoe ze zich daar al die tijd staande heeft weten te houden. Haar studie was een kanonschot, ze werd uitgenodigd bij babbelprogramma’s op radio en tv en hield een steeds door donderend applaus onderbroken voordracht voor TED.

On the Run past in een ijzersterke Amerikaanse traditie van opzienbarend etnografisch onderzoek naar jongeren en criminaliteit – van de Chicago School in de jaren twintig en dertig via William Foote White (Street Corner Society), Ned Polsky (Hustlers, Beats and Others) tot Elliot Liebow (Tally’s Corner), Ulf Hannerz (Soulside) en Elijah Anderson (Code of the Street). Goffman heeft ‘haar’ jongens dicht op de huid gezeten en laat overtuigend zien hoe ze meedogenloos worden opgejaagd door het ‘systeem’. On the Run, schitterende titel!

Maar nu de terugslag. In diverse recensies worden grote vraagtekens gezet bij de studie – Goffman zou haar informanten geen dienst hebben bewezen door zich te concentreren op misdaad en andere narigheid: het grote publiek zal alleen maar bevestigd worden in zijn vooroordeel dat zwarte jongeren niet deugen en de politie heeft er weer een argument bij om keihard op te blijven treden. Ook de methodologie van het onderzoek wordt in twijfel getrokken: het verslag is oncontroleerbaar, ‘subjectief’ en kan niet worden gestaafd met ondubbelzinnige gegevens. Tja, we kennen de argumenten zo langzamerhand, het soort lekenbezwaren dat altijd tegen etnografisch onderzoek wordt ingebracht. Interessanter is de kritiek van de jurist Steven Lubet, aanvankelijk verschenen in The New Rambler en later nog eens herhaald in The New Republic. Hij wijst op het incident waarbij een van Goffmans informanten, Chuck, wordt neergeschoten. De onderzoekster springt bij Mike, een vriend van Chuck, in de auto op zoek naar de schutter. I got into the car, schrijft ze, because I wanted Chuck’s killer to die.

 

Volgens Lubet staat hier zwart op wit de bekentenis van een zwaar misdrijf – Mevrouw Goffman zou volgens hem strafrechtelijk vervolgd kunnen, en moeten, worden. Ook bij andere beschrijvingen heeft Lubet zo zijn vraagtekens: Goffmans vermelding dat de politie zelfs in de boeken van ziekenhuizen neust naar verdachten zou uit de lucht gegrepen zijn – Lubet heeft overal naspeuringen gedaan en heeft nergens een bevestiging van zo’n praktijk kunnen vinden. Goffman en de instelling waar ze werkt zijn in de verdediging gedrongen. De auteur beweert dat er in feite geen sprake was geweest van enig risico op doodslag toen ze bij de vriend van Chuck in de auto stapte – maar ja, dat stond niet in haar boek. Sterker. Ze vergezelt Mike niet alleen, maar zit (vrijwillig) achter het stuur terwijl hij naast haar zit met een geladen Glock. Het kan me niet schelen dat de schutter zich bedreigd voelde, schrijft ze nog eens uitdrukkelijk, I simply wanted him to pay for what he’d done, for what he’d taken away from us. Daar kan geen lief smoesje tegenop. Voor haar beweringen over de corruptie van ziekenhuizen kan ze geen ‘hard’ bewijs leveren, ze weigert te onthullen hoe ze tot die uitspraak gekomen is, haar informanten dienen te worden beschermd.

Smullen! De Amerikaanse sociologenwereld is wakker geschud en tegenover de kritische recensenten wordt nu een sterke linie in stelling gebracht – daarop hebben enkele promotores en begeleiders van het onderzoek plaatsgenomen, onder wie Elijah Anderson. Maar ook Mitchell Duneier, gerenommeerd etnograaf en auteur van onder meer Slim’s Table en het prachtige Sidewalk, over zwarte boekverkopers in de straten van New York. Hij zou in eigen persoon een paar sleutelinformanten van Goffman hebben gesproken en is precies op de hoogte van de omstandigheden waaronder het onderzoek heeft plaatsgevonden. Wie geloof je?

De kwestie heeft een paar pikante trekjes. Alice Goffman, je had het al kunnen vermoeden, is de dochter van Erving Goffman – een van de beroemdste sociologen ter wereld. Eenieder spitst zijn oren. Erving Goffman is al zo’n dertig jaar geleden overleden, maar stonden er misschien nog oude rekeningen open? Hij was geen gemakkelijk heerschap. Lubet heeft de knuppel in het hoenderhok gegooid: waarom laat Goffman haar materiaal niet zien? Hoe kunnen we vertrouwen op wat ze opschrijft? Helaas… de auteur heeft zojuist bekendgemaakt dat ze al haar aantekeningen vernietigd heeft. Dat leidt tot hernieuwd gehuil van verontwaardiging. Hoe is het mogelijk dat iemand zoiets doet?

 

Ach ja, Goffman zal er haar redenen voor hebben gehad, bij voorbeeld dat ze heeft willen voorkomen dat die notities ooit in verkeerde handen zouden vallen. Ik moet onwillekeurig denken aan een etnografisch onderzoek van vele jaren geleden, begin jaren zeventig. De onderzoeker was Laud Humphreys, hij schreef het boek Tearoom Trade. Een controversieel onderwerp, dat nu nauwelijks meer opzien zou baren, althans in de beschaafde wereld. Het ging over heimelijke homoseksuele contacten in openbare toiletten (tearooms), een wereld die zorgvuldig van de respectabele samenleving was afgeschermd. De onderzoeker beschreef de plekken en de strategieën, met name de noodzaak om uit te kijken voor de politie. Wie waren betrokken bij zulke contacten? Voor een belangrijk deel ‘gewone’, heteroseksueel gehuwde mannen. Humphreys ontdekte dat door systematisch de nummerborden te noteren van de automobilisten die zulke toiletgebouwtjes in het park bezochten. Via deze gegevens kwam hij aan de adressen en een paar weken na het geobserveerde gedrag meldde hij zich, vermomd als volksteller, bij de betrokkenen thuis. Ook toen, net als nu, opwinding en kwaadheid! Onethisch om op die manier onderzoek te doen! Wat als iemand zijn vinger legt op de notities van de onderzoeker? Al die mannen zouden zomaar kunnen worden gechanteerd!

Humphreys verdedigde zich fel: hij zou zijn gegevens nooit en te nimmer afstaan, aan niemand. O ironie, het grootste verwijt dat hem trof … hij had zijn aantekeningen onmiddellijk na het onderzoek moeten vernietigen!

 

illustraties:
Alice Goffman; bron: www.daserste.de en www.br.de
Pisbakken; bron: www.heugem.net