De deskundigen schijnen het eens te zijn: de jaren zestig en zeventig waren de hoogtijdagen van de filmkunst–niet alleen in Hollywood, maar ook in landen als Italië, Frankrijk, Duitsland, Engeland en zelfs Nederland. In een recente documentaire over de Hollywoodfotograaf Steve Schapiro– hij maakte de wereldberoemde posters voor The Godfather, Taxi Driver, Midnight Cowboy, Apocalypse Now, om er maar een paar te noemen–kwam dat toevallig ook ter sprake. Om dat te onderstrepen zond de Belgische tv-zender Canvas afgelopen zomer een serie ‘klassieken’ van dat tijdperk uit. Ik kwam er laat achter, maar op de valreep nam ik twee films op die ik nog wel eens terug wilde zien: Easy Rider en Morte a Venezia. Even later werd er op een andere zender nóg zo’n hoogtepunt uit die jaren vertoond: Apocalypse Now.

Ik kende ze allemaal van toen ze voor het eerst in de bioscoop draaiden en misschien heb ik ze daarna nog wel eens op tv gezien, maar ik ben er voor gaan zitten om ze opnieuw te bekijken. Net als met boeken of andere kunstwerken vraag je je onwillekeurig af of de tand des tijds zijn vernietigende werk heeft gedaan–de films dateren tenslotte van ruim veertig jaar geleden. Hoe zou Visconti zich gehouden hebben? Een kostuumdrama, gesitueerd in de eerste jaren van de twintigste eeuw, losjes gebaseerd op Thomas Manns Der Tod in Venedig uit 1912. De Engelse acteur Dirk Bogarde speelt Gustav von Aschenbach die komt uitrusten in het chique Hotel des Bains; hij raakt gefascineerd door het Poolse jongetje Tadzio dat in hetzelfde hotel logeert met zijn moeder, zusjes en een gouvernante. In het boek van Mann is Von Aschenbach een schrijver, Visconti heeft hem gemodelleerd naar de componist Gustav Mahler. In terugblikken zie je hem met een vriend gesprekken voeren over kunst, wetenschap en het leven. Een lang uitgesponnen film met op de achtergrond Mahlers muziek, kortom: geen formule om een hedendaags filmpubliek te boeien. Zou je denken.

Wat een vergissing! Ik heb de film van begin tot eind ademloos bekeken en raakte binnen de kortste keren weer betoverd door Visconti’s meesterschap om je in zijn hogere sferen binnen te loodsen. Ik werd opnieuw bedwelmd door zijn regie en zijn visie. De film is geen afstandelijk kijkspel zoals de overbekende producties van Ivory en Merchant (Room with a View, Howard’s End, The Remains of the Day), maar maakt je direct deelgenoot van een complexe, gelaagde wereld: er is meer aan de hand dan het oog kan zien. Wat niet wegneemt dat je ook bij Visconti ogen tekort komt. Uiteraard staan weer overal bloemenweeldes opgesteld, zoals in al zijn films, maar daarnaast de oogverblindende architectuur van Venetië, verbluffende interieurs, overvloedige aankleding, schitterend voedsel. Een wereld van onmetelijke, materiële en geestelijke rijkdom. In het hotel wordt Engels, Frans, Pools, Italiaans en Duits gesproken en tot aan de onbetekenendste figuranten toe wordt subliem geacteerd. Het camerawerk is verbijsterend; je hebt nergens anders zulke adembenemende opnamen van de stad gezien, met al meteen een hoogtepunt als Von Aschenbach per stoomboot arriveert en je Venetië dichterbij ziet komen.

Visconti heeft het sociale milieu met een fijne pen voor je uitgetekend, de strikte hiërarchie, het demonstratieve nietsdoen, de decadentie–het leger bedienden dat klaarstaat om iedere wens en gril van de ‘hoge’ dames en heren tot in de perfectie te vervullen. Bevelen worden kenbaar gemaakt met vingergeknip, een half woord is voldoende om de staf in beweging te zetten. Je kent het wel ongeveer uit zijn andere films, maar hij weet er steeds weer een nieuwe nuance aan toe te voegen. De gasten van Hotel des Bains reizen met hutkoffers waarin hele garderobes zijn verpakt: strand- en sportkleding, avondkleding, gemakkelijke kleding om uitstapjes te maken, kleding voor bij het ontbijt, kleding voor bij het diner. Maar ondanks het comfort gaat er een dodelijke dreiging uit van de omgeving: er is in de stad een cholera-epidemie aan de gang die voor de hotelgasten verborgen wordt gehouden. Binnen deze omlijsting speelt zich het individuele drama van Von Aschenbach af.

In feite wordt het hele verhaal van de ‘relatie’ tussen de overspannen, vermoeide componist en het mooie jongetje verteld met ogen. De twee communiceren met louter blikken en gebaren, er wordt in de film geen woord tussen hen gewisseld. Als je het aan iemand vertelt, klinkt het bijna absurd, maar hoe filmisch kun je zijn! Je ziet overigens wel wat voor effect het jochie heeft op zijn bewonderaar–een ander hoogtepunt in de film: Von Aschenbach laat zich door een decadente barbier ‘verjongen’. Zijn haar wordt geknipt en geverfd, zijn snor bijgepunt, zijn lippen gestift, zijn wenkbrauwen geëpileerd. Later, op het strand, als de componist gegrepen wordt door de cholera, loopt de haarverf in zwarte lijnen over zijn zweterige gezicht. Een beeld dat je altijd bijblijft.

Apocalypse Now is een volstrekt ander soort film en speelt zich af tijdens de Vietnamoorlog. Onder militairen. Captain Willard krijgt de geheime opdracht om een muitende officier ‘uit te schakelen’. Het gaat om kolonel Kurtz, een briljante strateeg met een Harvard-achtergrond, die zich teruggetrokken heeft in Cambodja en daar als een soort Messias heerst over een oerwoudrijk met deserteurs en leden van inheemse stammen. De tocht van Willard gaat per boot, onderweg passeert hij het oorlogstoneel: vermaak voor de troepen met ingevlogen Playboy-bunnies tot en met een aanval op Charlie met helikopters en napalmbombardementen. De oorlog is gruwelijk, regisseur Francis Ford Coppola trekt alles uit de kast om ons dat in te peperen, overigens zonder in goedkoop moralisme te vervallen. Het is wat het is. Willards tocht wordt op bijna journalistieke manier gevolgd, we zien hier de hand van Michael Herr, auteur van Dispatches, die samen met Coppola het script voor de film heeft geschreven. Onmiskenbaar hoogtepunt is het optreden van Captain Kilgore (Robert Duvall) en zijn helikoptersquad–in formatie afvliegen op een dorp van de vijand. Uit de luidsprekers knalt Wagner, de tocht van de Walküre op hun vliegende paarden: pompeuze militaire muziek met hysterisch gillende vrouwenstemmen. Als ik me goed herinner is Coppola uitgemaakt voor fascist vanwege deze scène. Misschien toont hij de misdadige aanval met iets teveel wellust, maar hij laat er meteen het commentaar van Willard op volgen: ‘als de militaire autoriteiten Kilgore zijn gang laten gaan, waarom zouden ze dan in godsnaam kolonel Kurtz uit de weg willen ruimen’. Oorlog is gekkenwerk.

Allerlei monologen uit de film zijn eindeloos gememoreerd, je kunt ze teruglezen op internet–horror, horror and moral terror are your friends; exterminate them all; I love the smell of napalm in the morning. Hoe verschillend Apocalypse Now en Morte a Venezia ook zijn, beide films dragen het stempel van een groot regisseur die werkt vanuit een duidelijke visie en die streeft naar authenticiteit en perfectie. Beide films zijn niet alleen filmische, maar ook literaire hoogtepunten en worden gedragen door de allerbeste acteurs die het filmvak te bieden heeft. Je zou bijna verzuchten: zo worden ze tegenwoordig niet meer gemaakt. De zeggingskracht is onaangetast, je hebt niet het gevoel dat de films, op welke manier dan ook, verouderd of achterhaald zijn.

Misschien wel de lieveling aller films uit de periode van de jaren zestig en zeventig is Easy Rider. Gemaakt voor een paar honderdduizend dollar, binnen de kortste keren vele tientallen miljoenen opgeleverd. Een road movie met twee motorrijders die een grote slag hebben geslagen met een partij drugs en nu van Los Angeles op weg zijn naar de Mardi Gras in New Orleans. Op de achtergrond aardige popmuziek (Byrds), op de voorgrond de twee dragende acteurs Peter Fonda en Dennis Hopper; Hopper staat te boek als de regisseur, beiden schreven het script. Onderweg maken ze het een en ander mee, maar ze zijn vooral met zichzelf bezig en ze zijn geen moment in beeld zonder marihuanasigaretje. Uiteindelijk gaat het vooral over dat drugsgebruik in de film: weed is de nieuwe vrijheid. Aan die boodschap is weinig tekst besteed, de acteurs lijken vooral om woorden verlegen, er vallen af en toe pijnlijke stiltes. Jack Nicholson, die een klein rolletje speelt, heeft later verteld dat iedereen voortdurend volkomen stoned was–of het waar is of niet: het lijkt er sprekend op. Een wezenloze film, kinderachtig, naïef, bij tijden onnozel en in sommige opzichten buitengewoon irritant. Ik had me er heel wat van voorgesteld, maar heb hem niet tot het eind kunnen uitkijken. Een slordig, liefdeloos vod van een film.

Die me desondanks, of juist daardoor, aan het denken zette over de ‘tijdgeest’ van veertig jaar geleden.
Wat moeten de jaren zestig en zeventig ondanks alles toch ook een treurige periode geweest zijn dat Easy Rider alom kon worden beschouwd als een icoon van de nieuwe maatschappelijke orde.

 

illustraties:
Dirk Bogarde bij de kapper; bron: persogiadisuo.blogspot.com
Von Aschenbach sterft aan de cholera; bron: pietersteinz.com
Captain Willard; bron: thefilmspectrum.com
Easy Rider; bron: silodrome.com