De Vlaamse Westhoek is nog altijd een mijnenveld. Letterlijk — wie in de grond graaft kan zomaar op een oude granaat stuiten; maar ook figuurlijk, want referenties aan deze streek, met name de ‘Groote Oorlog’ die hier heeft gewoed tussen 1914 en ’18, stellen het politieke debat in België voortdurend op scherp. In NRC Handelsblad (11 april 2014) worden de achtergronden van deze ‘stinkende wond’ belicht. Kern van het debat: vochten de Vlamingen in de oorlog voor hun eigen onafhankelijkheid of voor de nationale zaak? Allerlei historici wijzen erop dat de Vlaamse nationalisten onder Bart De Wever geschiedvervalsing plegen door het belang van de oorlog naar zich toe te trekken, alsof er niet ook talloze Waalse soldaten in de loopgraven gekrepeerd zijn. Historicus Marnix Beyen vat de kern van de zaak samen: ‘In het nationalistische discours van veel Vlamingen waren het hun voorvaderen, vaak boerenzonen, die dienden als kanonnenvlees. De officieren werden gerekruteerd uit de Franstalige elite. Van de bevelen die zij gaven begrepen de Vlaamse soldaten geen woord. Met rampzalige gevolgen’. Hier is het zaad van de Vlaams-nationalitische beweging gezaaid. Op de IJzertoren staat AVV/VVK: Alles Voor Vlaanderen en Vlaanderen Voor Kristus.

 

Ik lees het schitterende Oorlog en terpentijn van Stefan Hertmans, de hoofdstukken over ‘De slag aan de IJzer’. De auteur heeft daarin de dagboeken verwerkt van zijn grootvader die het als jonge korporaal allemaal had meegemaakt. De ‘kwestie’ komt daarin pregnant naar voren.

De minachting van de Franstalige officieren, de openlijke vernedering en benadeling van Vlaamse soldaten, het is steeds ondraaglijker naarmate het offer aan mensenlevens groter wordt.

Er is geen enkele officier die de naam van de grootvader van Hertmans goed uitspreekt, altijd Marsjèn in plaats van Martien. Het ereteken dat hij verdiend heeft wegens betoonde moed, blijkt vals te zijn: de officier die Martien moest onderscheiden, heeft het échte exemplaar waarschijnlijk achterover gedrukt om er zélf mee te kunnen pronken. Martien dreigt te worden overgeplaatst omdat hij te vriendschappelijk met zijn manschappen omgaat. De commandant die hem dit meedeelt, laat hem na iedere zin salueren.

Terwijl hij me op die manier vernedert en ik als een clown na elke zin mijn hand aan mijn hoofd moet brengen en de hakken tegen elkaar slaan, kijkt hij grijnzend toe.

Het is hartverscheurend en tenenkrommend en je kunt je voorstellen dat dit in België tot diepe splijtzwammen heeft geleid. Het geval van Martien staat niet op zichzelf. Toch is de grootvader van Hertmans, mogen we tenminste aannemen, allerminst ‘revolutionair’; hij ziet wel degelijk in wie de échte vijand is en hoewel hij geen Belgisch nationalisme tentoonspreidt, is hij ook zeker geen toonbeeld van Vlaams nationalisme. Hij is een loyale soldaat die bevelen opvolgt en zijn best doet om er iets van te maken, hoe verschrikkelijk de oorlog ook is.

 

Je weet als lezer natuurlijk niet in hoeverre zo’n bewerkt dagboek de geest van de soldaat in de loopgraven getrouw weergeeft of is vertekend door de redactiewerkzaamheden van de auteur, die zielsveel van zijn grootvader houdt en hem bewondert. Maar er is in België blijkbaar een houding denkbaar die zich tussen de extreme polen van politieke heethoofderij beweegt. Wel met oog voor wandaden uit het verleden, maar zonder opborrelende rancune en wraakgevoelens.

De mildheid komt misschien het best tot uiting in het zinnetje over het verschil tussen de Franstalige officieren en de Franstalige, Waalse soldaten:

Hun houding staat in scherp contrast met de manier waarop de eenvoudige Waalse jongens ons hun vriendschap betonen, en meestal solidair zijn: kanonnenvoer zijn we allen.

Je zou Bart De Wever en de zijnen zo’n inzicht toewensen.