Een dag of wat geleden was Het Grote Verhaal van NRC Handelsblad gewijd aan de migratie van Italiaanse ijsbereiders naar Nederland. Ik heb nooit begrepen wat precies de bedoeling is van deze rubriek; ze staat dagelijks in de krant, maar een gemeenschappelijke noemer van de artikelen en reportages is mij tot dusverre ontgaan. Waarom worden nu juist de Italiaanse ijsbereiders in het zonnetje gezet? Jubileum? Nieuwe inzichten? Actuele gebeurtenis? Ik heb geen idee, maar dat hoeft de pret niet te drukken.

Het is op zichzelf een aardig stukje, geschreven door de correspondent van NRC Handelsblad in Italië, Marc Leijendekker. Hij verhaalt dat de Italiaanse ijsbereiders in de jaren dertig naar Nederland kwamen, vrijwel allemaal afkomstig uit één bepaalde vallei in de Dolomieten, en hier een loopbaan begonnen als houders van ijssalons: Venezia, Milano, Martinello, Talamini, Toscane, Pisa. Het was een nieuw verschijnsel in Nederlandse steden, maar dit ‘vreemde element’ werd binnen de kortste keren een populaire en geliefde instelling. In Haarlem, waar ik een deel van mijn jeugd doorbracht, had je Giraudi. Ze verkochten het lekkerste ijs dat je ooit geproefd had en de zaak was ruim, licht, schoon en een beetje exotisch, met veel wandspiegels, ‘on-Hollands’. Ook door de bediening: jonge jongens in keurige witte jasjes die een charmant gebroken Nederlands spraken – mijn zusters en hun vriendinnen dweepten met Giraudi, meen ik me te kunnen herinneren. Als mijn vader zijn gezin meenam naar Amsterdam – een film in Tuschinski – was een bezoek aan de Italiaanse ijssalon ertegenover de vanzelfsprekende dagsluiting.

Er was sprake van een kettingmigratie. De eerste ijssalon was Venezia in Utrecht, gesticht door Guido de Lorenzo, uit Pieve di Cadore, ‘een dorp tussen de steile, kale toppen van de Dolomieten’, zoals Leijendekker schrijft. De Lorenzo haalde het personeel voor zijn winkel uit zijn geboortestreek. ‘En al de nieuwkomers begonnen na enige tijd weer voor zichzelf, in Alkmaar of Bergen op Zoom, in Breda of Den Haag’. Een succesverhaal: na twee generaties zijn de nakomelingen van de ploeterende ijsbereiders van weleer vrijwel vlekkeloos geïntegreerd in de Nederlandse samenleving – de derde of vierde generatie bestaat uit jonge, goed opgeleide succesvolle ‘Nederlanders’. In het artikel komt sociaal geograaf Paolo de Mas aan het woord, migratiespecialist die zich heeft toegelegd op de studie van de Marokkaanse migratie. Hij is zoon van een ijsbereider. ‘Deze (Italiaanse) immigratie is goed verlopen’, zegt De Mas, ‘omdat die ijssalons en hun families eilanden waren in een zee van Hollanders. Ze zochten altijd naar de steden waar ze zich het beste konden vestigen, dus je had nooit massa’s Italianen om je heen. Je moest met Nederlandse klanten kunnen omgaan, en je zat ook bij de middenstandsvereniging’.

Veel nieuws heeft het artikel overigens niet te bieden. Al in 1983 publiceerde Frank Bovenkerk, met twee anderen, het boek Italiaans IJs: de opmerkelijke historie van de Italiaanse ijsbereiders in Nederland. Alle ijsbereiders die in Het Grote Verhaal staan genoemd, en nog veel meer, komen ook in de studie van Bovenkerk voorbij: hij heeft ze allemaal opgezocht in hun eigen omgeving (ook in Italië) en hun levensverhalen opgetekend. Het verbaast me dat Marc Leijendekker het boek van Bovenkerk niet eens noemt en de auteur met niet meer bedeelt dan een terloopse opmerking. Past fatsoenlijke bronvermelding niet in de opzet van NRC Handelsblad?

Wat Bovenkerk laat zien is dat de Italiaanse migratie weliswaar een succesverhaal is, maar dat er wel degelijk ook harde wanklanken te horen waren toen ze zich hier vestigden. Nederlandse concurrerende ijsmakers verweten de Italianen dat ze zich niets aantrokken van de Nederlandse wetgeving op het gebied van sluitingstijden en hygiëne en dat ze hun personeel veel te lange uren lieten maken: oneerlijke concurrentie dus. En wat gebeurde er niet allemaal in de ijssalons aan onzedelijk gedrag? Ook de verhoudingen in de oorlog waren soms gespannen: tenslotte kwamen de ijsbereiders uit een fascistisch land, waren ze wel zuiver op de graat?

In het succesverhaal van Marc Leijendekker zijn die kreukels, als je ze zo zou kunnen noemen, zorgvuldig gladgestreken. Op zichzelf is dat een interessant verschijnsel. Ik stuitte er zélf op toen ik in navolging van Frank Bovenkerk een studie maakte van Italiaanse ijsbereiders in de Schotse stad Glasgow – een bijproduct van een omvangrijker onderzoek naar het tijdsregime van steden. Allerlei onderdelen van het migratieproces in Nederland en Schotland zijn vrijwel identiek – wat voor een onderzoeker bevredigend is: je begeeft je een beetje op vertrouwd terrein, ook al is de locatie verschillend. Toch onderscheidde zich de migratie naar Schotland in verschillende opzichten nogal sterk van die naar Nederland. De ijsbereiders in Glasgow kwamen niet uit hetzelfde gebied als die in Nederland. Niet de Dolomieten maar Toscane, hoewel daar ook veel figurinai (beeldenmakers) vandaan kwamen, en met name de zuidelijke streek rond de stad Frosinone, nog onder Rome. Het waren straatventers van voedsel en drank en pruikenmakers die de overtocht naar het verre Glasgow waagden: de voorlopers van respectievelijk de ijssalons en de modieuze Italiaanse kappers. Het Italiaanse ijs in Nederland is trouwens in eerste instantie eveneens vooral door straatventers aan de man gebracht – het is interessant om ons te realiseren dat in diezelfde tijd een andere min of meer exotische straathandel – namelijk die van de Chinese ‘pindakoekjes’ – mislukte.

Ten tweede: de Italiaanse migratie naar Schotland vond veel eerder plaats dan die naar Nederland, namelijk vanaf het eind van de 19e eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog. De Italiaanse ‘kolonie’ was omvangrijk en was over heel Schotland te vinden: ook hier werd het op elkaar kruipen van immigranten zorgvuldig vermeden. In het begin van de 20e eeuw verscheen een speciale krant voor de immigranten, La Scozia en in dezelfde tijd werden er scholen opgericht voor Italiaanstalig onderwijs en culturele verenigingen zoals de Società Dante Alighieri. De toestroom van Italianen kwam praktisch tot stilstand in 1919 als gevolg van een strenge immigratiewetgeving: de Aliens Act – in eerste instantie overigens bedoeld om Oost-Europese joden te weren. In Glasgow werden aan het begin van de 20e eeuw omstreeks 400 ijssalons geteld, in een stad als Dundee omstreeks 50. In de loop der tijd hebben veel Italiaanse ondernemers zich aan de Schotse omstandigheden aangepast door in hun salons ijs te verkopen in de zomer, maar het ‘typisch Schotse’ fish ’n chips in de winter.

Ondanks de aanpassingsgezindheid van de Italianen, hebben ze flink onder vuur gelegen. Misschien niet zozeer van concurrerende ijsverkopers als van hervormingsbewegingen die zich keerden tegen drugsverslaving (alcohol!) en een vrije seksuele moraal. De Schotse arbeidersklasse, in Glasgow geconcentreerd in de zware industrie (machinebouw, locomotieven) en de scheepsbouw, moest worden opgevoed en aan banden gelegd – juist de Italiaanse ijssalons met hun soepele openingstijden en moeilijk te definiëren producten leken zich aan dat beschavingsoffensief te onttrekken. Vanaf de preekstoel werd gewaarschuwd tegen de Ice Cream Parlour omdat jonge meisjes daar hun onschuld zouden verliezen en omdat er ’s avonds na de sluitingstijden van de kroegen sterke drank van onder de toonbank zou worden verkocht. Keer op keer hield de politie invallen en het wantrouwen tegen de Italianen werd, net als dat tegen joden, door racistische denkbeelden gevoed. Het hielp daarbij niet dat de Italianen, net als de Ieren, katholiek waren. Een doorn in het oog van de machtige Protestantse elite.

Maar net als in Nederland, is de Italiaanse migratie in Schotland en vooral ook in Glasgow, ‘achteraf gezien’, een vlekkeloos succesverhaal. Wie het People’s Palace in Glasgow bezoekt, een museum van en voor het ‘gewone volk’, raakt onder de indruk van de warmte waarmee wordt onderstreept dat de Italianen ‘erbij horen’: in de tentoonstellingsruimte is lange tijd een Italiaanse ijssalon tentoongesteld, met oorspronkelijk meubilair uit de jaren dertig en opgesierd met overvloedig fotomateriaal. ‘Ze maken deel uit van onze geschiedenis, ze zijn van ons’, is de boodschap.

Hoe is die omslag te verklaren? Hoe dat in Nederland zit, weet ik niet zo een, twee, drie, maar ik vermoed dat de Schotse genegenheid voor de Italiaanse ijsbereiders in direct verband staat met recentere immigratiebewegingen. De aandacht wordt opgeslokt door het nieuwe multiculturalisme, in Glasgow hebben zich na de oorlog migranten uit alle delen van de wereld gevestigd, waaronder vele tienduizenden uit het Pakistaanse en het Indiase deel van de Punjab. Dat is gepaard gegaan met discriminatie, racistische rellen, almaar groeiende criminaliteit en werkloosheid. Alle problemen van vroeger, met joden en Italianen, zijn van hun scherpte en actualiteitswaarde ontdaan. Niemand heeft meer zin om vroegere onaangenaamheden op te rakelen, integendeel: de Italiaanse en joodse immigranten gelden eerder als lichtend voorbeeld voor de ‘lastige’ Afrikanen en Aziaten. De nostalgie over de Italiaans/Schotse geschiedenis heeft een duidelijke boodschap aan het adres van die nieuwe immigranten: als iedereen zich nou eens gedroeg zoals al die positieve, hardwerkende Italianen, zou er geen immigrantenprobleem bestaan!

Guido de Lorenzo zou er vermoedelijk sterk van hebben opgekeken.

 

illustraties:
vruchtenijs; bron: ijssalon-trentino.nl
La Capri; bron: lacapri.nl
ijstaart; bron: italianigelato.nl