De titel van de verzameling opstellen, aantekeningen, onderzoeksprojecten en losse artikelen van stadsonderzoeker/planoloog Kevin Lynch is uitstekend gekozen: City Sense and City Design. De interactie tussen de stad als gebouwde omgeving en haar bewoners en bezoekers is inderdaad de rode draad door het werk van Lynch. Hoe vinden mensen hun weg in de stad? Hoe ervaren ze straten, pleinen, parken? Lynch baseerde zijn gegevens niet alleen op nauwkeurige observatie, maar ook op vraaggesprekken; liefst een combinatie van beide. De bevindingen zijn soms ontnuchterend, het blijkt dat stadsbewoners een geheel eigen manier ontwikkelen om zich in hun omgeving te verplaatsen. Hun ‘mentale plattegrond’ wijkt doorgaans aanzienlijk af van de ‘officiële plattegrond’; stedenbouwers en architecten hebben daar totaal geen invloed op.

Ik liet mijn studenten wel eens ‘hun’ plattegrond van Amsterdam tekenen, de resultaten waren verbluffend. De stad blijkt in het hoofd van sommigen zes of zeven grachten te tellen, niet in een ‘gordel’ om het centrum heengeslagen, maar in parallelle rechte lijnen achter elkaar. Eén student woonde in Oost en reed eerst naar het Museumplein als ze ‘in de stad’ moest zijn, vandaaruit werd de uiteindelijke bestemming gezocht. Sommigen oriënteren zich op tramrails om van A naar B te komen, ook al leidt dat tot grote ‘omwegen’. De grenzen van buurten lagen voor de één totaal anders dan voor de ander, om het over de karakterisering van verschillende buurten maar niet te hebben. Lynch heeft in The Image of the City een handig analytisch kader ontwikkeld om enige orde te scheppen in de complexe werkelijkheid. City Sense and City Design (ruim 850 pagina’s) is in bepaalde opzichten een voorstudie en in andere opzichten een uitwerking van dat kader.

In Notes of City Satisfaction bespreekt Lynch het zintuiglijke genot dat mensen kunnen ontlenen aan aspecten van de stad. De stedelijke ‘ruimte’ bij voorbeeld, een stad is tenslotte een samenstel van allerlei ruimten (straten, pleinen, parken, tunnels en wat al niet), waarbij verschillende elementen bepalen of en in hoeverre je daar plezier aan ontleent: vorm, proporties, omvang enzovoort. Behalve ruimten is ook de ‘vloer’ waarop je loopt van eminent belang: asfalt, tegels, kinderhoofdjes, straatstenen. ‘Kleur en structuur’ zijn medebepalend voor het stedelijk welbevinden of juist ongemak; oneffenheden, geaccidenteerd terrein, vormen waarin het plaveisel is gelegd; smalle trottoirs. Stedelijke ruimten kennen talloze ‘details’ (vaak op ooghoogte) die een aangenaam verblijf kunnen bewerkstelligen: voordeuren, winkeletalages, reclameborden, richtingaanwijzers, versierselen. The city is continually ‘talking’ to the observer, zegt Lynch. It is full of written or pictoral symbols, directing, informing, exhorting. Zo heb je ook te maken met ‘natuurlijke elementen’, zoals bomen, bloembakken, plantsoenen, vijvers; geuren (uitlaatgassen, bakkerijen, benzine, haringstallen, parfumerieën, koffie, warme worst); ‘vormen’ (monumenten, gebouwen, façades) en ‘geluiden’. Principal problems are the preferred maximum and minimum levels, and sounds which are an intrusion on privacy or communication, aldus Lynch. Other sounds, of course, have pleasant connotation: especially the ‘natural’ rhythmical ones (waves, leaves in wind); those indicative of not too intense human activity (voices, feet); and those musical in nature (bells, singing).

 


Analytische schets van Lynch.

Je zou kunnen zeggen dat Lynch een holistische benadering hanteert: de relatie stad/bewoner (of bezoeker) dien je vanuit een reeks van aanvullende gezichtspunten te benaderen, één perspectief volstaat niet. Anderen hebben juist afzonderlijke elementen uit de analyse geïsoleerd en nader uitgewerkt. Geluid is zo’n element. Ik wist dat het bestond, maar heb er nooit als zodanig bij stilgestaan; te druk met andere invalshoeken zoals ‘tijd’, ‘emotie’, ‘dag en nacht’, ‘gevaar’. Een pionier van het geluidsonderzoek is Michael Southworth, een leerling van Lynch. Hij muntte de term soundscape, ‘geluidschap’ zou je in het Nederlands moeten zeggen, die verder is uitgewerkt door de Canadees R. Murray Schafer met zijn boek The Soundscape. Our Sonic Environment and the Tuning of the World. Schafers aandacht gaat niet speciaal uit naar steden maar naar onze ‘geluidsomgeving’ in het algemeen, deze is in de loop der eeuwen steeds gecompliceerder geworden. As civilization develops, new noises rise up around us: from the creaking wheel, the clang of the blacksmith’s hammer, and the distant chugging of steam trains to the “sound imperialism” of airports, city streets, and factories. We zouden als mensheid te lijden hebben aan een overmaat van akoestische informatie, we horen geen nuances en subtiliteiten meer. Een waarneming die trouwens dik onderstreept werd tijdens de lockdown vanwege het coronavirus: de straten waren stilgevallen, je kon weer vogeltjes horen en verre kerkklokken, gesprekken van voorbijgangers op straat.

 


Geluidsgolfjes van Schafer.

Dat iedere gemeenschap haar eigen soundscape heeft, is een van de uitgangspunten van de acoustemology of ‘geluidsecologie’. Een soundscape komt tot stand door de interacties tussen interne en externe krachten, waardoor deze ‘scape’ zich onderscheidt van die van alle andere gemeenschappen. Dit komt door specifieke soundmarks: in mijn appartement is het ‘aanslaan’ van de koelkasten in de keuken een vertrouwd geluid; het is verbonden met de vredige late uurtjes die ik doorbreng aan de keukentafel voordat ik naar bed ga: ordenen van notities, doorlopen van de agenda, schrijven van briefjes met taken voor de volgende dag. Uit de kattenbak komen elegante krabgeluidjes van mijn poes, ze zetten me aan tot reiniging en aan haar kreetjes denk ik te kunnen horen of ze trek heeft in brokjes of aan het keten is. Veel van het geluidsonderzoek volgens Schafer heeft met name een toegepast karakter, het is gericht op geluidsoverlast en pogingen dat zoveel mogelijk terug te dringen. Naar analogie met de bezorgdheid over schone lucht, spreken de onderzoekers van ‘geluidsvervuiling’. Aan de andere kant heb je het explorerende onderzoek dat je ‘zuiver wetenschappelijk’ zou kunnen noemen. Een fraai voorbeeld vind je in Valeria Luiselli’s roman Lost Children Archive. Een gezin van vier personen, twee jonge ouders, een zoontje en een dochtertje, vertrekken uit New York City richting Arizona op weg naar Apacheria: het gebied dat ooit het woongebied van de Apachen Indianen was. De vader heeft geld gekregen om ter plekke onderzoek te doen: het opnemen van alle geluiden, misschien zelfs die van de held Geronimo. De moeder zal verder trekken om zich te storten in het drama van de tachtigduizend immigrantenkinderen die bij de grens met Mexico worden opgesloten en teruggestuurd.

Beiden hebben elkaar ooit ontmoet en ‘gevonden’ tijdens een universitair onderzoeksproject waarbij ze de soundscape van New York moesten  vastleggen, waaronder alle talen die in de stad worden gesproken. Ze hebben veel boeken bij zich (waaronder The Soundscape van R. Murray Schafer) en onderweg leggen ze het ‘gezinsgeluidschap’ vast, onder andere van hun slapende kinderen. Naarmate ze hun doel naderen wordt de relatie tussen beide volwassenen meer gespannen. Het ziet er naar uit dat het huwelijk niet lang meer zal stadhouden. Luiselli laat zien dat het geluidsonderzoek niet alleen van wetenschappelijk belang is, maar dat je er ook een fraaie roman op kunt baseren.