Grote God, hebben we hier écht manschappen naartoe gestuurd om te vechten?’, moet een Britse generaal uit de Eerste Wereldoorlog hebben uitgeroepen toen hij het slagveld bij Ieper aanschouwde. Het is inderdaad niet voor te stellen wat een verschrikkelijke oorlog er tussen 1914 en 1918 op die plek werd uitgevochten. ‘Een onwerkelijke wereld van terreur, medelijden, afgrijzen, nieuwsgierigheid, dood, verderf en botte onverschilligheid’, las ik ergens. Honderdduizenden slachtoffers, vaak uiteengereten door granaatscherven of verstikt in gifgas. Weggezakt in de modder.

Het is fascinerend om het gebied te bezoeken waar de soldaten in loopgraven en bunkers tegenover elkaar hebben gelegen, het land van Vlaanderen, Noord-Frankrijk, de Somme, de Marne, tot  Zwitserland aan toe.

De oorlog is nog steeds overduidelijk aanwezig, niet in de vorm van schietende en tierende horden, maar in de verstilde gestalten van militaire begraafplaatsen; een eindeloze reeks. Toen de oorlog in volle gang was, moest van hogerhand uiteraard al besloten worden hoe de doden begraven werden. In Groot-Brittanië kwam deze taak in handen van de Imperial War Graves Commission, gevormd rond de persoon  van Fabian Ware, die zich als vrijwillige commandant van een ambulancedienst had geërgerd aan de manier waarop met de gesneuvelden werd omgesprongen. Het zal bij andere legers op overeenkomstige manieren zijn gegaan. De roemruchte IJzerbedevaart in Vlaanderen is in feite op eenzelfde kwestie terug te voeren.

De opvattingen over de berging van de slachtoffers liepen sterk uiteen, niet alleen vanwege verschillen in godsdienst — in de Britse legereenheden waren zo’n beetje alle godsdiensten van de wereld vertegenwoordigd — maar ook vanwege uiteenlopende financiële draagkracht. Rijke mensen en familieleden van officieren eisten pompeuze grafstenen en aparte begraafplaatsen. De emoties liepen tot enorme hoogten op, maar dankzij zorgvuldig manoeuvreren slaagde de commissie er in een algemene richtlijn te vinden waar iedereen zich uiteindelijk heeft kunnen vinden. De klassenmaatschappij kon enigszins worden bedwongen. Een alomvattend soort patriottisme kwam ervoor in de plaats, we hebben allemaal voor de koning en het vaderland gevochten.

Oorlogsgraf Vieux  Chapelle

 

Iedereen die de begraafplaatsen bezoekt kan het zelf constateren: de grafstenen zijn allemaal gelijk en staan in militaire slagorden opgesteld — liefst in de richting van het oosten, alsof de soldaten ook na hun dood nog alert moesten blijven op aanvallen van de gevreesde tegenstander. Op de stenen staan de tekenen van het regiment gebeiteld, de naam, rang en de datum van overlijden – slechts een enkele persoonlijke regel van de achterblijvers was toegestaan. Op alle begraafplaatsen moest een soort van gedenksteen komen te staan, plus een kruis; de ommuring en beplanting waren tot in detail geregeld en worden tot op de dag vandaag gehandhaafd.

 

Oorlogsgraven Neuve-Chapelle (Frankrijk). Foto: Lodewijk Brunt

In het boek Empires of the Death van de Schotse historicus David Crane, vorig jaar verschenen bij William Collins te Londen, wordt uiteengezet hoe vér dit concept afstaat van de gruwelijkheden van de oorlog. Er werd letterlijk en figuurlijk geen ruimte gemaakt voor wat eigenlijk aan deze begraafplaatsen ten grondslag had gelegen. Crane formuleert het precies, waarbij hij zijn emoties vermoedelijk meesterlijk heeft weten te onderdrukken: geen plek voor de verdeeldheid, ongelijkheden en wandaden die net zo goed deel uitmaakten van het leger als moed, kameraadschap en volharding. ‘Boven alles géén confrontatie met het grote taboe van de oorlog, de DOOD’. Op de gedenkstenen staan nietszeggende teksten als ‘rust in vrede’. Op de begraafplaatsen heerst de code van omertà, in alle talen zwijgen.

Ik kan de verleiding niet weerstaan om Siegfried Sassoon te citeren. Officier in het Britse leger en één van degenen die zich ongeremd, maar dichterlijk gedisciplineerd, uitsprak tegen de oorlog. Hij weigerde ooit dienst, maar werd toen naar een psychiatrische instelling gebracht — hoe kon iemand van de Britse landadel zich zó kritisch tegen de oorlog opstellen? Na een bezoek aan de Menin Poort, het grote gedenkteken in Ieper, schreef hij het volgende gedicht, óók van toepassing op de oorlogsgraven:

Who will remember, passing through this Gate
The unheroic Dead who fed the guns?
Who shall absolve the foulness of their fate –
Those doomed, conscripted, unvictorious ones?
(…..)
Here was the world’s worst wound. And here with pride
“Their name liveth for ever”, the Gateway claims.
Was ever an immolation so belied
As these intolerable nameless names?
Well might the Dead who struggled in the slime
Rise and deride this sepulchre of crime.’

O, ironie. Niet alleen de gesneuvelden liggen hier begraven, ook de redenen voor hun dood en de omstandigheden waaronder ze gecrepeerd zijn.