Ik liep de man voorbij in de supermarkt, maar ik toen hoorde hem iets zeggen. Was ik iets verloren? Zat er iets smerigs op mijn rug? Ik draaide me om en keek de man onderzoekend aan. Hij keek niet terug, eerder dwars door me heen, alsof ik niet bestond. Toen zag ik dat hij zijn woorden niet tot mij had gericht, maar tot iemand die helemaal niet aanwezig was. Hij was aan het telefoneren; een snoertje om zijn nek met een microfoontje en twee dopjes in zijn oren. Hands off, heet het systeem, geloof ik.

Tot voor kort moest je voorzichtig zijn om zomaar iets in het openbaar te zeggen. Iemand die in zichzelf loopt te praten is niet helemaal te vertrouwen, hij doet niet als ‘normaal’ mens mee aan het sociale verkeer en dus kun je alles van hem verwachten: scheldpartijen, uitbarstingen van woede, smerige praatjes. Omlopen, dus, uit de buurt blijven, mijden. In de stad maak je zo’n situatie tientallen keren mee. Het gaat om gevallen van self-talk. De term is afkomstig van antropoloog/socioloog Erving Goffman (Forms of Talk).

Er zijn maar weinig gelegenheden waarbij het is toegestaan om in jezelf te praten. Als je net een vreselijk bericht hebt gekregen, bij voorbeeld, een goede vriend is plotseling overleden. Je mag dan zelfs in huilen uitbarsten en dingen roepen als: ‘ik kan het niet geloven’, ‘hij was nog zo jong’, ‘ik zag hem vorige week nog’, ‘nee, toch!’. Of een spreker die in het vuur van zijn betoog zijn tekst op de grond laat vallen; in sommige kringen is dan zelfs een beschaafde vloek gepermitteerd: ‘drommels’, ‘wat stom’, ‘jezus’. Een andere situatie is de trambestuurder die bijna een toerist van de sokken rijdt en de hele tram deelgenoot maakt van zijn gramschap: ‘altijd die toeristen’, ‘kijkt niet op of om’, ‘zag je die klootzak?’.

Autoriteiten die in hun hemd worden gezet als ze net een standje of bekeuring hebben uitgedeeld, dat is nóg een gelegenheid waarbij self-talk min of meer gewoon is — zij het niet altijd voor de autoriteiten in kwestie. Je kunt het vaak zien op de voetbalvelden. Een scheidsrechter geeft een speler een gele kaart voor gevaarlijk spel; de dader loopt druk gebarend weg, terwijl hij een stroom van verwensingen uitstoot. Als dat al te opzichtig gebeurt, loopt de speler het risico een rode kaart te krijgen. Scheidsrechters zijn parmantige baasjes, die niet met zich laten sollen. Op de tribune of voor de tv zit je trouwens naar een pantomime-uitvoering te kijken, want je verstaat geen woord van wat er wordt gezegd.

Self-talk komt ook voor in situaties waarbij iemands morele integriteit in het geding is. De man die een muntstuk van straat opraapt, wil de omstanders laten weten dat dit niet zijn dagelijkse werk is en roept verbaasd uit: ‘moet je kijken, twee euro, zomaar op straat’, ‘dit kan je toch niet laten liggen, nietwaar’, ‘heb ik even mazzel ‘.

Door de mobiele telefoon is er een nieuwe dimensie in het openbare leven bijgekomen. Het lijkt erop dat het voeren van een gesprek met een niet-aanwezige persoon, iemand tijdelijk uitzondert van gewone omgangsvormen, de spreker is ‘weg’, en ‘wij’, toeschouwers en toehoorders, doen er niet meer toe; onze aanwezigheid is irrelevant, we doen niet mee aan de situatie van de beller. We zijn van personen getransformeerd tot non-persons. Dat verklaart denk ik ook dat veel gesprekken door de mobiele telefoon op luide toon gevoerd worden, schijnbaar schaamteloos. Het gehoor dat er wél toe doet, zit immers aan de andere kant van de lijn.

Persoonlijk ben ik altijd nogal verbaasd om te zien dat iemand — laten we zeggen in een treincoupé — die net luidkeels heeft zitten bellen, zich daarna onmiddellijk weer in de rol van gewone reiziger voegt, met een boek op schoot of als gesprekspartner van een medereiziger. Je zou eigenlijk verwachten dat hij zich ook de rest van de tijd als een aso zou blijven gedragen.