Je zou denken dat de herdenkingen dit jaar in het teken zouden staan van geweld en het verzet tegen geweld. Honderd jaar geleden liep de Eerste Wereldoorlog af en in datzelfde jaar werd Nelson Mandela geboren. Zijn twee ‘medestrijders’—misschien een ongepast woord in dit verband—waren Mohandas Gandhi en Martin Luther King. De eerste werd zeventig jaar geleden vermoord, de laatste vijftig jaar geleden. Maar, in Nederland althans, is het herdenken van de drie helden vorig jaar al begonnen. In de Amsterdamse Nieuwe Kerk onder andere met een tentoonstelling onder de naam We have a dream. Volgens de wervende reclameteksten van de initiatiefnemers gewijd aan: Drie wereldberoemde personen die grote invloed hadden op de geschiedenis van de twintigste eeuw: Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela. Gewone mensen die uitgroeiden tot leiders van grote bewegingen tegen rassendiscriminatie en sociale ongelijkheid. Alle drie werden wereldwijde rolmodellen, maar riepen ook felle kritiek en tegenstand op. In september werd deze manifestatie voorafgegaan door een opstel van NRC Handelsblad-medewerker Bas Heijne: Wereldverbeteraars. Gandhi, King, Mandela – hun erfenis. Een uittreksel verscheen in NRC Handelsblad: Het radicale antwoord op haat is waardigheid. Een poging om Gandhi, King en Mandela—strange bedfellows—in één traditie te plaatsen. Naar mijn smaak was dit alles nogal geforceerd. Losgezongen van de context. King en Gandhi hebben tijdens hun loopbaan als publieke figuren op bepaalde momenten het principe van het zogenaamde ‘geweldloos verzet’ toegepast, maar geldt dat ook voor Mandela? En kwam dat principe uit dezelfde overwegingen voort? Het vereist nogal wat studie om dat precies vast te kunnen stellen, maar ik kreeg noch uit de tentoonstelling, noch uit het betoog van Heijne de indruk dat over deze kwestie het laatste woord gesproken is.

Zelf ben ik geboeid door Gandhi, over wie ik op deze plaats al herhaaldelijk heb geschreven. Zijn activiteiten ter verbetering van het lot van Indiase ‘koelies’ in Zuid-Afrika en zijn latere strijd tegen het Britse kolonialisme op het Zuidoost-Aziatische subcontinent werden geïnspireerd door verschillende uitgangspunten waarvan er twee wereldbekend zijn geworden: ahimsa en satyagrah. Himsa (हिंसा) betekent iets als ‘doodmaken’, ‘slachten’, ‘kwaad’, ‘pijn’, het gaat om de toepassing van geweld tegen levende wezens. Het voorvoegsel ‘a’ (अ) duidt een ontkenning aan, zoals in het Engelse ‘non’ bij non-violence. Satyagrah (सत्याग्रह) is het vasthouden aan de waarheid of het streven naar de waarheid; het is de aanduiding geworden van georganiseerd geweldloos protest met een politiek oogmerk, burgerlijke ongehoorzaamheid.

 


satyagrah: Indiase koelies onder leiding van Gandhi houden president Jan Smuts tegen.

Gandhi was uitgesproken: het gebruik van verkeerde middelen zou altijd leiden tot een spiraal van geweld en tegengeweld. Hij rechtvaardigde er zijn activisme mee. Of hij zich daardoor een centrale plaats heeft verworven onder de toonaangevende filosofen van de 20ste eeuw, kun je betwijfelen—al denken geleerden als Bas Heijne daar klaarblijkelijk anders over. Gandhi’s klassieke voorbeeld is wat er gebeurt als er een inbreker een huis binnendringt. De bewoners roepen hun buren te hulp, maar de inbreker mobiliseert daarop zijn diefjesmaten—een algemeen gevecht is het gevolg. Als je de ramen van je huis openhoudt, daarentegen, raakt de inbreker in verwarring, komt tot inkeer en kiest een ander vak. De kracht van liefde en medelijden is veel groter dan de kracht van wapens. Het valt ons niet op, zegt Gandhi, omdat geschiedschrijvers nooit aandacht schenken aan de ‘normale toestand’ van de mensheid: vreedzaam samenleven, in liefde. Historici merken alleen op wat daarvan afwijkt. Met onnavolgbare logica concludeert de Mahatma dat het onweerlegbare bewijs van de kracht van liefde is dat zij nog steeds bestaat, ondanks alle oorlogen in de wereld. Het lijkt mij, afgezien van de bizarre redenering, een filosofie van de koude grond, naïef en zelfs een beetje potsierlijk, maar voor zijn bewonderaars dus geen bezwaar.

Ahimsa en satyagrah zouden wortelen in de aller-oudste kernen van de Indiase beschaving. Een beschaving die voor Gandhi zijn gelijke niet kent op de wereld: mensen worden erdoor op een hoger moreel plan gebracht. De basis is het geloof in God en iedereen die van India houdt, klampt zich aan deze beschaving vast als een kind aan de moederborst. De Westerse beschaving daarentegen is in wezen goddeloos, boosaardig en propageert immoraliteit. Uit die overtuiging komt het kribbige antwoord voort dat Gandhi ooit gaf toen hem gevraagd werd naar zijn opvatting over de Westerse beschaving. Dat leek hem wel een goed idee, gaf hij te kennen. Het klinkt geestig, maar of Gandhi gevoel voor humor had, waag ik te betwijfelen.

 


De piepjonge advocaat te Durban, omstreeks 1900

Zijn verheerlijking van de Indiase cultuur ging gepaard met een reactionaire houding tegenover de technologische vooruitgang in de wereld. In machines zag hij manifestaties van zonde, hij kon er niets goeds in ontdekken. Het was één van de grote geschilpunten tussen hem en Javaharlal (Pandit) Nehru, die machines en fabrieken juist zag als de nieuwe ‘tempels’ van onze tijd. Met zijn nadruk op typische ‘Aziatische waarden’ speelde Gandhi ongewild, en misschien onbewust, zijn politieke tegenstanders in de kaart. Ook zij gingen er immers van uit dat er een fundamenteel verschil bestond tussen de Westerse en Oosterse beschavingen, zij het dat hun waardering van die verschillen tegengesteld was.

Gandhi’s leer is dikwijls toegeschreven aan zijn afkomst, de ‘Calvinistische’ handelaarkaste van Gujarat, en de sterke invloed van het Jainisme. De Jains onderscheiden allerlei soorten van himsa: bewust geweld, onvermijdelijk geweld of geweld als vorm van zelfverdediging. Iedere Jain wordt geacht geweld te vermijden tegenover wezens met twee of meer zintuigen, maar monniken en nonnen mogen zelfs geen geweld gebruiken tegenover insecten of nog kleinere organismen die in water, lucht, vuur en lucht leven. Dus: niet graven in de grond, géén bad nemen of zwemmen of in de regen lopen, géén vuur doven en géén waaiers om zich koelte toe te wuiven. Niet over het gras lopen en geen bloemen plukken. Een monnik draagt altijd een stoffer bij zich om de beestjes weg te vegen voordat hij ergens gaat zitten.

De verwantschap is duidelijk, Gandhi’s overtuigingen komen niet uit de lucht vallen. Maar toch is dat slechts één kant van de medaille. In de praktijk waren zelfs de Jains aanzienlijk realistischer dan hun leer zou doen geloven. Zoals Upinder Singh opmerkt in zijn grondige studie van opvattingen over politiek geweld in het oude India, varieerde de Jaindoctrine over het toepassen van geweld tussen ambivalentie en volledige rechtvaardiging. Hoezeer de volgelingen van het Jainisme ook in geweldloosheid geloofden, tegen het voeren van oorlogen hadden ze geen bezwaar als dat zo uitkwam. Er zijn veel verhalen bewaard gebleven over oorlogvoerende Jainkoningen en Jaingeneraals. Door de vertegenwoordigers van Jaindynastieën als die van de Ganga, Rashtrakuta en Hoysala werd net zo fanatiek gevochten om land te veroveren als bij welke andere dynastieën ook. Het hedendaagse India is een extreem gewelddadige maatschappij, maar het ‘oude’ India van vóór het contact met de verfoeilijke Westerse beschaving was niet anders.

Bij geweldloosheid gaat het niet om zwart of wit, maar om een zorgvuldige afweging van verschillende soorten himsa en ahimsa. Gandhi was daar kennelijk een meester in. Bovendien was hij een moedig man, voor niets of niemand bang. En waarschijnlijk ook een slim strateeg. Dat is al aanzienlijk meer dan de meesten van ons kunnen zeggen. Maar een groot denker is niet aan hem verloren gegaan.

 

illustraties
portretten van Gandhi en cartoon over satyagrah afkomstig uit: Ramachandra Guha, Gandhi. De biografie. De jonge jaren. Amsterdam (Nieuw Amsterdam) 2014