Een jaar of tien geleden doken de verhalen op over de Smileybende. In een zijstraatje van de Haarlemmerstraat te Leiden werd een meisje vastgegrepen door een groepje (Marokkaanse) jongens. Ze moest kiezen tussen een groepsverkrachting en een ‘smiley’. Het meisje dacht dat het laatste een extasypilletje was, met de afbeelding van een smiley, de keuze was niet moeilijk. De jongens sneden vervolgens met een mes haar gezicht open, van oor tot oor: nu zou ze voor de rest van haar leven een brede glimlach hebben. Het nieuws van deze gruwelijke daad verspreidde zich snel, niet alleen in kranten en tijdschriften, maar vooral ook in mailboxen en bij internetforums. In de formele media hielden de verhalen niet lang stand en werden ze al spoedig afgedaan als ‘broodjes aap’, maar op internet bleven ze circuleren, ook al waren er genoeg kritische tegengeluiden te horen.

De Leidse onderzoeker Peter Burger heeft eerder dit jaar een dissertatie verdedigd over dit soort monsterverhalen, zoals hij ze noemt: verhalen die mensen elkaar vertellen over extreme en uitzonderlijke gewelddadigheden, moord, verkrachting, verminking, veelal gepleegd door ‘monsterlijke’ lieden. Het zijn verhalen met een moralistische of waarschuwende strekking: ze geven zicht op de (betreurenswaardige) toestand van de maatschappij waarin we leven. Monsterlijke verhalen laten zich, tenslotte, moeilijk classificeren: waar of onwaar? Burger’s benadering is verfrissend. Hij richt zijn aandacht op de retoriek waarmee de vertellers elkaar en het gehoor proberen te overtuigen van de waarheid en het belang van de verhalen. Op internet schrijft een meisje: ‘Ik was helemaal van slag. Ik schrok me dood. “Hoe weet je dat?”. “Ja, een vriendin van een vriendin van me daar is het bij gebeurd”. Ze vertelde me ook dat ze nu in Breda en Leiden, Den Haag, Zoetermeer en nu ook in Delft actief zijn. Dus toen ik van gitaarles alleen naar huis moest, ben ik geloof ik in een recordtempo naar huis gefietst’.

Een kenmerk van deze monsterlijke ‘stadslegenden’ is dat ze opeens opduiken en na verloop van tijd ook weer geruisloos verdwijnen, maar dat elementen eruit later vaak opnieuw, in een andere context, verschijnen. Peter Burger heeft het allemaal terdege uitgezocht en zijn boek geeft ernstig te denken over verkrachtingsdrugs, blanke slavinnen, loverboys, groepsverkrachtingen en scheermessenbendes. De wreedheid is bij voorbeeld een prima kwalificatie om ‘vreemdelingen’ mee te typeren; de Smileybende bestond niet toevallig uit Marokkaanse jongens – in de paranoïde sfeer van het openbare Nederlandse debat staat die categorie voor zo’n beetje alles wat er mis is. Sommige elementen uit het verhaal bestaan al langer, en lijken te zijn overgewaaid uit vroeger tijden of zelfs uit het buitenland. In België deden verhalen de ronde over de ‘engelenlach’ in tijden van etnische spanningen, de verhalen trokken omstreeks de eeuwwisseling van Wallonië naar Vlaanderen. Daarvoor circuleerden overeenkomstige verhalen in Frankrijk over skinheads, Turkse jongens en/of voetbalhooligans uit Marseille. Er werd daar gesproken over de ‘Algerijnse glimlach’. Een stuk eerder had je in Engeland de angst voor de ‘Chelsea Grin’ die je zou worden toegebracht door de Chelsea Smilers: ‘Ben je vóór of tegen de voetbalclub Chelsea?’.

Het bewerken van gezichten met messen of scheermessen komt van ver. Burger noemt de ‘Glasgow Grin’ uit de jaren vijftig, het resultaat van gevechten tussen razor gangs, maar de ‘scheermessentraditie’ in Groot-Brittannië gaat verder terug in de geschiedenis. Te denken valt aan de beruchte gangs die in de jaren dertig huishielden in steden als Sheffield en Birmingham. In de laatste stad werden hele volkswijken geregeerd en geterroriseerd door de Peaky Blinders. Hun naam kwam van de scheermessen die ze in de klep van hun pet naaiden en waarmee ze – door een kopstoot – iemand konden verblinden. Glasgow heeft misschien wel de ruigste reputatie als messentrekkerstad, waarbij het geweld zich al vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw concentreerde in vooral twee arena’s: ten eerste de godsdienstige tegenstellingen tussen Protestanten en Katholieken, gesymboliseerd in de twee grote plaatselijke voetbalclubs, respectievelijk Rangers en Celtic. Tot voor kort vielen er na de wedstrijden tussen deze twee clubs – plaatselijk bekend als ‘the Old Firm’ – nog regelmatig gewonden en zelfs doden. De tweede arena werd gevormd door de danshallen waar de jeugd zich in het weekend ophield, zich overgaf aan ongelooflijke hoeveelheden drank en oorlogen uitvocht over de ‘meiden’ – jongens uit de Gorbals moesten het niet wagen met hun tengels te zitten aan meiden uit andere buurten, en andersom.

In No Mean City wordt deze context verder uitgewerkt. De roman, geschreven door A. McArthur en H. Kingsley Long (voor het eerst gepubliceerd in 1935), vertelt over het leven van Johnnie Stark die zich door gevechten in de danshal weet op te werken tot de Razor King, alom vereerd en gevreesd. Vrouwen keken hem na en mannen zeiden gretig ‘goeiendag’ als hij langs liep. Als hij de Queen’s Head binnenstapte, viel het even stil, waarna hem van alle kanten drankjes werden aangeboden. ‘Johnnie stond op de drempel, de duimen in de oksels van zijn overjas, waardoor zijn colbertje wijd openviel; de handvatten van zijn twee wapens staken zichtbaar uit zijn vestzakjes. “Wie is dat, zeg…”, riep een jong gangstertje in blinde bewondering. “Kijk, jongens, Koning Scheermes”’.

Je zou kunnen zeggen dat dit boek als zodanig onderdeel is van een ‘stedelijke legende’; in feite is het een prul en de historische werkelijkheid is er nauwelijks in te vinden, maar van No Mean City zijn inmiddels vele honderdduizenden exemplaren verkocht en het boek loopt nog steeds. Als de verhalen maar monsterlijk genoeg zijn, zou je denken, willen mensen niets liever dan bedrogen worden.