Denise Mina is een crime writer, zoals dat in de Angelsaksische wereld heet, een auteur van misdaadromans. En niet de eerste de beste. Ze heeft een stuk of vijftien boeken gepubliceerd, toneelstukken, tv- en radioprogramma’s gemaakt voor de BBC, fraaie prijzen in de wacht gesleept. Collegaschrijvers zijn vol lof. Val McDermid zegt: She is crime writing royalty en Ian Rankin typeert haar als the most exciting crime writer to have emerged in Britain for years. Ze concentreert zich in haar boeken niet op één speciale figuur, zoals bij voorbeeld hoofdinspecteur Martin Beck van de afgelopen week overleden Maj Sjöwall, maar is veelzijdiger. Haar eerste boeken hadden een jonge leerling journaliste als centrale figuur, in een volgende reeks ging het over een bekende columniste; beiden echte outsiders die min of meer toevallig bij de misdaad betrokken werden. Vervolgens verscheen DS Alex Morrow op het toneel, zoals de afkorting al zegt: Detective Superintendent; een insider, dus, zij het betrekkelijk… ze was een vrouw in een cynische en vrouwvijandige mannenwereld; ze loste soms misdaden op als ze hoogzwanger was. Die transformaties van de hoofdpersonen weerspiegelden de veranderingen in de thematiek; in de loop van de jaren richtte Mina zich steeds uitdrukkelijker op de misdaad en het speurwerk als zodanig en raakte de analyse van de personages meer op de achtergrond; ze conformeerde zich sterker aan de mainstream van de crime writing, voor zover ik daar iets verstandigs over kan zeggen, ten minste. In haar eerste boeken kwam het thema van de tweederangspositie van vrouwen herhaaldelijk expliciet aan de orde, dat krijgt minder aandacht in haar latere werk.

Ik doe wijsneuzig, maar in feite ben ik zelf een outsider als het gaat om misdaadliteratuur. Het is mijn genre niet. Vroeger heb ik wel wat werk van Sjöwall en Per Wahlöö gelezen, maar dat trok me eerder vanwege de maatschappijkritische stemming dan de misdaad en de specifieke speurderscapaciteiten van Martin Beck. Ook ken ik het werk van Raymond Chandler wel een beetje en een stuk of wat boeken van veelschrijver Elmore Leonard. Dat ik Mina heb gelezen is dus nogal uitzonderlijk en dat heeft te maken met haar achtergrond: ze woont in Glasgow en haar boeken spelen zich ter plaatse af.

Toen ik zo’n vijfentwintig jaar geleden een tijd in Glasgow woonde in verband met een onderzoek naar de vierentwintiguurseconomie (wat een woord!), heb ik uiteraard alles over de stad gelezen wat los en vast zat. Natuurlijk ‘echte literatuur’ vanaf No Mean City (Alexander McArthur en H. Kingsley Long) tot James Kelman—meestal aan de hand van de onvolprezen studie Imagine A City van Moira Burgess—maar ook herinneringen (Ralph Glasser), historische studies (Irene Maver), stadsliteratuur over Edinburgh (Irvine Welsh) en, dus, misdaadromans (behalve Mina ook werk van Malcolm Mackay bij voorbeeld: How A Gunman Says Goodbye of The Necessary Death of Lewis Winter). Ik ben lang niet iedereen en alles blijven volgen—na Glasgow volgden weer andere onderzoeksprojecten—maar op de een of andere manier Mina wel. Vooral, denk ik, omdat ze zo herkenbaar en evocatief over Glasgow schrijft; ze laat de stad leven zoals ik haar ook heb gekend en gewaardeerd: drank en drugs, werkloosheid, armoede, maar ook hartelijkheid, solidariteit, humor. Glasgow, stad van vergane glorie. Lange tijd de ‘tweede stad’ in het Verenigd Koninkrijk: hypermodern, vooruitstrevend, rijk. Maar door het verdwijnen van de zware industrie (scheepsbouw, machines, locomotieven) als een kaartenhuis in elkaar gezakt en gekrompen van een kosmopolitische miljoenenstad tot een benepen provincieplaats met minder inwoners dan Rotterdam of Den Haag.

 


De secretaris van Glasgow.

Ik ben vol goede moed begonnen aan Mina’s eind vorig jaar verschenen Conviction (bij Harvill Secker, London; onderdeel van het Penguin/Random House uitgeversconglomeraat). Wat zou ze nu weer in petto hebben? De Schotse identiteit van Mina is onmiskenbaar, in het verhaal komt een restaurant voor met haggis op de menukaart. Haggis burger, haggis stew, haggis pakora, tempura, even soup. Let me say: no one in Scotland eats haggis without a sense of irony. It’s one of the things I like about the place. Anyone eating the national dish will tell you “I’m eating haggis!” French people do the same with frogs’ legs. People claim to love haggis, or the veggie version which is a nut roast and nothing at all to do with haggis, but it’s not a staple. It’s symbolic food, for tourists and special occasions. Maar…, daar blijft het zo ongeveer bij.

Zijn alle misdaden in Glasgow opgelost? Tot mijn verbazing is het boek volstrekt losgezongen van Mina’s gebruikelijke context. Een deel van de gebeurtenissen doet zich voor in de buurt van Fort William, maar het verhaal speelt zich grotendeels af in Italië, Portugal en Frankrijk; Schotland is ver weg. Ook al omdat een cruciale plaats in het geheel wordt ingenomen door podcasts, mobiele telefoons, zeewaardige jachten, vliegtickets, dure hotels, taxi’s, restaurants. Het gaat om persoonsverwisselingen en andere mystificaties in de hoogste kringen. Een voorbeeld: de kwade genius is een onmetelijk rijke vrouw die haar geld belegt in Engelse voetbalclubs. Uit de context (de constructie van een nieuw stadion) moet je opmaken dat de (Londense) club waarin ze haar geld heeft gestoken West Ham United is of misschien Tottenham Hotspur, maar in werkelijkheid is de enige vrouw die een Engelse voetbalclub uit de Premier League onder haar hoede heeft, Delia Smith en haar club is gevestigd in Norwich en heet… Norwich City. Een nóg grotere mystificatie betreft de hoofdpersoon zelf, we krijgen pas op de helft van het boek te horen wie ze écht is en hoe ze heet. Bent u daar nog?

 


Global novels are dull

Ik signaleer Conviction omdat het boek me een schoolvoorbeeld lijkt van wat Tim Parks een aantal jaren geleden in The New York Review of Books heeft betiteld als de global novel. Zijn redenering was overtuigend: As a result of rapidly accelerating globalization we are moving toward a world market for literature. There is a growing sense that for an author to be considered “great,” he or she must be an international rather than a national phenomenon. Een van de consequenties is dat auteurs geneigd zullen zijn om allerlei ‘moeilijke’ onderwerpen, die een internationaal publiek zouden kunnen vervreemden, vermijden. What seems doomed to disappear, or at least to risk neglect, is the kind of work that revels in the subtle nuances of its own language and literary culture, the sort of writing that can salvage or celebrate the way this or that linguistic group really lives.*

Conviction is zo’n global novel. Mina heeft het boek zorgvuldig ontdaan van de Schotse context, haar boek is niet gelokaliseerd en niet duidelijk gesitueerd. Het is een boek dat je verwacht bij de inloopwinkel van een vliegveld, waar je nog snel wat drukwerk inslaat tegen de verveling tijdens een lange reis. Je kunt je gemakkelijk identificeren met de personages, die een internationaal soort bargoens praten en die overal op hun plaats zijn, onderling verbonden met elektronica. Een van de hoofdpersonen, Fin Cohen, is een bekende zanger die ze niet alleen in Groot Brittannië kennen, maar die een echte ‘wereldster’ is. Cohen, ja ja, daar hebben we wel eens van gehoord… toch?

Ik denk met weemoed terug aan een boek als Garnethill, en van de allereerste werkjes van Mina. Je kon met de vinger op de kaart precies de plekken volgen die in het verhaal voorkwamen en de gebeurtenissen kregen een extra dimensie omdat je het karakter van die plekken kende. Een symbolisch kader. Zonder zo’n dimensie heb je weinig méér dan een dun misdaadverhaaltje. Tim Parks had het goed gezien: een global novel is voornamelijk dodelijk saai.

Maar ziet Parks niet over het hoofd dat de mondialisering soms ook kansen biedt aan schrijvers die juist het ‘exotische’, eigene onderstrepen, maar opgetrokken tot een ‘universeel drama’? Misschien is Hilary Mantel daar een sprekend voorbeeld van met haar dikke boeken over Thomas Cromwell, een zestiende eeuwse Engelse upstart. Internationale bestsellers, ongekend succes, maar wel uitzonderlijk. Denk ik. Hoe dan ook: Denise Mina moet beslist weer terug naar haar uitgangspositie.

*  Op 24 mei 2020 schreef Marc van Oostendorp in Neerlandistiek over het vertalen van Nederlandstalige literatuur in het Italiaans. Hij signaleert: een vertaler vertelt bijvoorbeeld dat hij of zij de uitgever had geadviseerd tegen Een vloer van confetti van Franca Treur omdat het Italiaanse lezerspubliek waarschijnlijk niet zou weten wat aan te vangen met het protestantse milieu waarin dat boek zich afspeelt. Met Vlaanderen is het overigens nóg moeilijker gesteld, aldus nog steeds Van Oostendorp, zij het om net een andere reden: de gemiddelde Italiaan heeft totaal geen beeld bij België en dus al helemaal niet bij Vlaanderen. België wordt nergens mee geassocieerd. Sommigen zeggen ‘Europese Unie’, sommigen zeggen ‘chocolade, bier’, maar er is geen duidelijk beeld. Als je een Italiaan vraagt ‘wat komt er in je op als je aan België denkt?’, dan is het antwoord ‘helemaal niets’. De vertalers proberen dit probleem op te lossen door twee soorten Nederlandstalige boeken te kiezen: ofwel boeken die gaan over klassieke thema’s ofwel boeken die ‘universeel’ zijn, en die verhalen vertellen.
Kortom, de problematiek van Tim Parks in een notendop.

 

 

illustraties
Tim Parks; bron: orbooks.com
Denise Mina; bron: thenational.scot en bbc.com