Alles verandert, zeker, maar sommige dingen lijken hetzelfde te blijven. Ik sprak onlangs met iemand over Moby Dick. Ze herinnerde zich dat ik het tijdens het allereerste gesprek dat we voerden – dat moet ruim dertig jaar geleden zijn – ook al over dat boek had gesproken. Ik heb Melville onlangs weer eens gelezen, nu van kaft tot kaft in plaats van kleine stukjes, wat verleidelijk is bij een boek dat uit vele korte hoofdstukken bestaat – honderdvijfendertig om precies te zijn, verdeeld over bijna zeshonderd bladzijden – met bijna allemaal intrigerende en aantrekkelijke titels: Ahab, The Pipe, The Specksynder, The Quarter-Deck, Stubb’s Supper, The Hyena, The Great Heidelburgh Tun, The Pequod Meets The Delight. En opnieuw viel ik voor de onnavolgbare vertelkunst van Herman Melville, zijn vlijmscherpe stijl en de hartstochtelijke betrokkenheid bij zijn onderwerp: de Amerikaanse walvisvaart uit de eerste helft van de negentiende eeuw, gesitueerd in Nantucket, voor de Noordoostelijke kust van de Verenigde Staten, vlakbij Martha’s Vineyard – onder Cape Cod. Tegenwoordig beter bekend als een luxe oord voor iedereen die rijk en machtig is.

Moby Dick is een ‘mannenboek’, dat realiseerde Melville zich maar al te goed toen hij het geschreven had, hij ontmoedigde de vrouwen uit zijn omgeving ten sterkste om het te lezen: ‘Niets voor jou’. Het boek kwam uit in 1851. De Amerikaanse samenleving veranderde snel, de frontier society van de eerste generaties kolonisten, vrijbuiters en pelsjagers schoof steeds verder op naar het Westen en maakte plaats voor een meer gevestigd bestaan. Na de avonturiers kwamen de onderwijzeressen en predikanten als voorhoede van een grondig beschavingsproces. Op grote schaal werden boeken verspreid met stichtelijke en zoetelijke lectuur, zowel geschreven door vrouwen als gelezen door vrouwen. Boeken die tegenwoordig niemand meer kent, niemand meer wil lezen. Mannen lazen helemaal niet, hooguit misschien de Bijbel — er is wat dit betreft nog niet veel veranderd. Het ging in de vrouwenliteratuur om de propaganda voor huiselijke waarden: orde, vlijt, zedelijkheid, vroomheid. Sommigen hebben het proces aangeduid als een sentimentele revolutie. Tegenover de onherbergzaamheid van de openbare sfeer – het buitenleven, de straat, de fabriek, de politiek – kwam de geborgenheid van huis en haard te staan.

Melville’s boek moet een schok hebben veroorzaakt, liever gezegd: een schokje, want het werd nauwelijks opgemerkt, besproken of verkocht, laat staan gelezen. In Moby Dick komen geen vrouwen voor, hooguit in de marge, als een soort behang – zoals in de beschrijving van de kerkdienst die scheepsmaat Ishmael en harpoenier Queequeg in New Bedford bijwonen voordat ze zich aanmonsteren. De muren van het kerkje zijn beslagen met gedenkplaten voor verdronken zeelieden, in de banken zitten (onbestorven) weduwen en kinderen. The women of New Bedford, peinst Ishmael, they bloom like their own red roses. But red roses only bloom in summer

Van stichtelijkheid of zoetigheid is geen spoor te ontdekken in Moby Dick. Melville beschrijft tot in de details hoe de walvisvaart is georganiseerd en ontpopt zich als de Linnaeus van de cetologie. De lezer wordt met zijn neus gedrukt op het echte, rauwe leven: in deze meedogenloze wereld moet het dagelijkse brood worden verdiend. Karig, want de beloning is minimaal. Ondankbaar slavenwerk. Primitiever kan het niet. Een hele bemanning op een kluitje, drie tot vier jaar onderweg, zwervend over de wereldzeeën, bitter koud of juist verstikkend heet, regen en wind, achter reusachtige walvissen aan in kleine sloepjes, met harpoeniers die hun speren van korte afstand raak moeten zien te gooien. Overal hongerige haaien, levensgevaarlijk.

De walvisvaart trekt als bemanning uitschot, gelukzoekers, desperado’s aan. Melville zelf deserteerde op zijn eerste tocht en bleef maandenlang hangen op een eilandje in de Zuidzee. Het schip waar Ishmael op vaart, de Pequod, heeft een kannibaal, een zwarte Afrikaan, een Indiaan en een parsi als harpoeniers en onder de rest van de bemanning vind je hindoestanen, mohammedanen, ongelovigen en een enkele christen – uit alle delen van de wereld. Chinezen, Europeanen, Indiërs, Indonesiërs. Harpoenier Queequeg is van top tot teen getatoeëerd en heeft op zijn kale schedel alleen een staartje, hij verdient wat extra geld door eigenhandig gesnelde koppen te verkopen in herbergen. Als hij aanmonstert is er sprake van dat hij zich zou moeten laten bekeren. Nee, zegt een van de reders beslist, geen sprake van; als je van een kannibaal een vrome zeeman maakt, verliest hij zijn ziel: … it takes the shark out of him. In dit bonte gezelschap bevinden zich ook de specialisten, die door Melville zorgvuldig voor het voetlicht worden gehaald: de scheepstimmerman, de smid, de kok. Je weet hoe de betalingen tot stand komen, ieder krijgt een deel van de netto opbrengst aan walvistraan, Ishmael een zeventigste portie, de harpoeniers wat meer. En allemaal varen ze onder het schrikbewind van kapitein Ahab, een gevaarlijke gek die alles en iedereen opoffert aan zijn fanatieke jacht op de witte potvis.

Het hoeft niet te verbazen dat Melville ambivalent stond tegenover de literatuur van zijn dagen: je moest de werkelijkheid laten zien zoals deze was, vond hij. De maatschappij is verankerd in een harde strijd om het bestaan; in de gangbare ‘vrouwenliteratuur’ werd dat verdoezeld. Vrouwen weten niets van de economie, het interesseert ze niet, hun motto is eerder ‘geld maakt niet gelukkig’. Maar uit sprookjes en kinderversjes word je niets wijzer over de werkelijkheid, het is letterlijk en figuurlijk…  fictie.

De fictieve elementen van Moby Dick dienen om het documentaire karakter extra reliëf te bieden: de werkelijkheid staat niet in dienst van de fictie, maar de fictie staat in dienst van de werkelijkheid. Ruim honderd jaar later – in de jaren 1960 – stond er opnieuw een Amerikaanse auteur op die zo’n gedachte tot programma maakte van zijn schrijverschap: Truman Capote die in zijn In Cold Blood probeerde literaire middelen te gebruiken om een gruwelijke roofmoord zo levensecht mogelijk vast te leggen. Overigens is het ‘verhaal’ van Moby Dick magistraal. De sfeer van dreiging, de Bijbelse beelden, de profetische tekens en gesprekken, de beschrijvingen van de zee. Adembenemend en spannend tot aan de laatste bladzijde.

Huiveringwekkend ook. Pas bij de eerste jacht op een walvis blijkt dat kapitein Ahab een groepje verstekelingen aan boord heeft gesmokkeld. Als de sloep van de kapitein wordt neergelaten ziet de bemanning tot ieders verbijstering dat hij zijn eigen harpoenier heeft meegenomen, de mysterieuze parsi Fedallah, een ‘vuuraanbidder’, en zijn crew. De mottige ‘profeet’ Elijah had er al voor gewaarschuwd op de kade van Nantucket… Fedallah is de Duivel, dat lijdt geen twijfel en in de relatie tussen Ahab en Fedallah wordt de mythe van Dr. Faust belichaamd. Een duister, luguber verbond om Moby Dick te pakken te krijgen. Drie dagen duurt de jacht op Moby Dick als hij eindelijk is opgespoord. De potvis gaat zelf het gevecht niet aan, integendeel: Ahab is de agressor. Fedallah is een van de eerste slachtoffers, hij wordt door de grote vis mee de diepte ingetrokken, hopeloos verward in de touwen van zijn eigen harpoen. Uiteindelijk blijft alleen Ishmael over, drijvend op de doodskist van zijn vriend Queequeg en opgepikt door het walvisschip Rachel – de enige ‘vrouw’ die in het verhaal een rol speelt. De kapitein van Rachel is op zoek naar zijn zoons die op zee vermist zijn. Inderdaad… niets word je bespaard door Melville.

De grote vraag blijft klemmen, ook nadat ik het boek nu voor de zoveelste keer gelezen heb: waar staat de grote witte potvis voor? Waarvan is hij het symbool? God? Natuur? Succes? Eer? Eeuwige roem? Verlossing? Er zit denk ik niets anders op: opnieuw beginnen met lezen!

 

illustraties:
walvisvaart, bron: torreybooklog.wordpress.com
queequeg, bron: en.wikipedia.org