Door omstandigheden buiten mijn wil en macht heb ik een tijdje geen gebruik gemaakt van deze website, maar ik hoop binnenkort weer aanwezig te zijn. Eén van de onderwerpen waarover ik me de afgelopen periode heb verbaasd, is de p.c.-storm die door de vaderlandse geschiedenis gewaaid heeft. Met p.c. bedoel ik uiteraard: politiek correct. De wind stak op over de afschaffing van het begrip Gouden Eeuw door enkele medewerkers van het Amsterdam Museum. De zeventiende eeuw was misschien goudgekleurd voor een geprivilegieerde bovenlaag, luidde de rechtvaardiging, maar voor velen was het een eeuw (het ging overigens in werkelijkheid niet om honderd jaar, maar hooguit om de helft of nóg minder) van het diepste zwart. Misschien mogen we nog trots zijn op de Nederlandse schilderkunst uit die dagen, maar voor het optreden van Nederlandse zeevaarders en bestuurders in de koloniën moeten we ons diep schamen, om maar helemaal te zwijgen over het Nederlandse aandeel in de slavenhandel. De geschiedenis wordt teruggebracht tot een morality play, een spel van goed en kwaad, van heiligen en boeven.

 

Dat gaat vér. De museummedewerkers wentelen zich in het stof om zich te verontschuldigen voor de misstanden van destijds. Conservator Tom van der Molen trekt het zich zelfs persoonlijk aan: Ik ben heel blij dat we die stap eindelijk zetten, maar het is niet meer dan dat, een stap. Het biedt iets meer ruimte voor andere perspectieven, maar die perspectieven komen niet vanzelf en niet van mij, als witte kunsthistoricus. Ik ben wit en dus met schuld beladen, luidt zijn redenering. Alsof hij in eigen persoon verantwoordelijk is voor de wandaden die in de Gouden Eeuw zijn begaan. Is dat niet een schromelijke overschatting van de eigen invloed op de geschiedenis? Trouwens, wat die wandaden zijn, krijgen we helaas niet te horen, wat het geheel nogal onwaarachtig en vrijblijvend maakt; dat is vaker het geval als mensen getroffen worden door de gesel van de politieke correctheid.

 

Wat een verschil met de recente geschiedenis van de Britse ‘Gouden Eeuw’, en met name de rol daarin van de East India Company, de oudste ‘multinational’ van de wereld en jarenlang een geduchte concurrent van de VOC. Het gaat om William Dalrymple’s boek The Anarchy. The East India Company, Corporate Violence, and the Pillage of an Empire, zojuist verschenen bij uitgeverij Bloomsbury. Hier geen zelfbeklag of krokodillentranen uit naam van anonieme bevolkingsgroepen, maar een koele, keiharde analyse van de vervlechtingen tussen de naamloze vennootschap aan de ene kant en de Britse overheid anderzijds. Nauwelijks honderd jaar na de oprichting van de EIC stelde een parlementaire commissie vast dat de onderneming door en door corrupt was. De EIC heeft het lobbyen voor het bedrijfsleven hoogstwaarschijnlijk uitgevonden, schrijft Dalrymple. De gezaghebbers van de EIC gebruikten het geld van de onderneming om zetels in het parlement te bemachtigen of om parlementsleden om te kopen. Het parlement zag alles door de vingers; de samenwerking van overheid en bedrijfsleven kan worden beschouwd als het eerste voorbeeld van een public-private partnership.

 

Koning Charles II maakte van de EIC een monster: hij legde verregaande rechten en privileges vast in de wet zonder dat er een verantwoordingsplicht tegenover stond. In het derde kwart van de 17e eeuw kon de EIC haar eigen geld drukken, een eigen leger onderhouden, oorlogvoeren, vrede sluiten, gebieden inlijven en een eigen burgerlijk wetboek en strafrechtspraak invoeren. Dalrymple zegt: The EIC was not just the world’s first great multinational corporation, it was also the first to run amok and show how large companies can be more powerful, and sometimes more dangerous, than nations or even empires. Je moet voorzichtig zijn met analogieën, maar het is alsof een bedrijf als Google, Facebook of Amazon er een eigen leger op nahoudt en zelfstandig oorlog voert, onder dekking van de overheid. Ook Shashi Tharoor heeft onlangs in zijn Inglorious Empire uit 2016 laten zien wat de EIC heeft aangericht in India. De mousseline uit Bengalen stond wereldwijd bekend als ‘gewoven lucht’ vanwege de zachtheid en lichtheid van de stof. Bengaalse textielhandelaars deden goede zaken met landen als Egypte, Turkije en Perzië in het westen en Java, China en Japan in het oosten, een miljoenenhandel. De Britten waren meedogenloos, betaalden niet meer in ponden, maar in lokaal geld en drukten de prijzen. Alle tussenhandelaren werden uitgeschakeld ten gunste van een monopoliepositie van de EIC. Op dringend verzoek van de Britse kledingindustrie werd in de loop van de achttiende eeuw de Bengaalse textielnijverheid vrijwel ontmanteld. De EIC gaf haar soldaten opdracht zoveel mogelijk weefgetouwen onklaar te maken en volgens sommigen gingen ze daarbij zover om de duimen van de wevers te verbrijzelen, zodat dezen hun ambacht nooit meer zouden kunnen uitoefenen. India had voor een kwart van de wereldproductie in textiel gezorgd, maar na het optreden van de EIC ‘lagen de beenderen van de katoenwevers te  verbleken op de vlakten van India’, in de woorden van EIC-baas Lord William Bentinck.

 


Shashi Tharoor, van lucht gewoven

De Britten introduceerden al even meedogenloze vormen van belasting; wie niet kon betalen, raakte zijn grond kwijt. Miljoenen trokken weg en voor het eerst in de geschiedenis van India verscheen een landloos proletariaat op het toneel. Door de krankzinnig hoge belastingen steeg de corruptie tot ongekende hoogten, zoals Tharoor zegt: The Company exacted payments from Indians beyond what they could afford, and the rest had to be obtained by bribery, robbery and even murder. Everybody and everything was on sale. En de koloniale heren schaamden zich nergens voor. De befaamde Robert Clive nam na zijn eerste verblijf in India een bedrag van ongeveer 23 miljoen pond (in hedendaags geld) mee naar huis; hij werd in één klap zo’n beetje de rijkste man van Europa. Na zijn tweede verblijf was zijn buit 40 miljoen, niet alleen in geld, maart ook in bij elkaar gestolen edelstenen en juwelen. Clive, doordesemd met de EIC-mentaliteit, kocht voor zichzelf en de zijnen zetels in het Britse parlement en wisten ook op die manier de EIC en hun eigen rol daarin uit de wind te houden als dat nodig zou zijn. Overigens: buit betekent loot in het Engels, het komt van het Hindiwerkwoord lutnaa (लुटना): roven, stelen, plunderen.

 

Het is geen fraaie geschiedenis, maar het is tenminste  verantwoorde geschiedenis, bedoeld om ons een evenwichtig inzicht te bieden in de turbulente jaren van het kolonialisme en imperialisme. Dalrymple’s studie is een waardevolle aanvulling op recente studies als die van Tharoor, maar ook op het werk van jonge historici als Alex von Tunzelmann (Indian Summer) en Maya Jasanoff (Edge of Empire). Je krijgt op deze manier toegang tot dossiers en archieven en zodoende word je in staat gesteld je eigen oordelen te toetsen aan de empirie. Dat zou ook de taak van musea moeten zijn in plaats van het vrijblijvende gejammer dat vandaag de dag opklinkt uit het Amsterdam Museum.

 

illustraties
William Dalrymple; bron: thenational.ae
Shashi Tharoor; bron: hindustantimes.com