Ik heb de grootste bewondering voor mensen die, zoals dat heet, ‘hun talen spreken’. Zélf mis ik de noodzakelijke talenten om het hoogste te bereiken in het leven: geen wiskundeknobbel, geen talenknobbel. In mijn omgeving zijn mensen die zich in tal van buitenlanden moeiteloos kunnen redden en ter plaatse worden beschouwd als native speakers. Het komt ze aanwaaien, lijkt het wel; ze horen het een paar keer en ze doen mee alsof ze nooit anders hebben gedaan. Er komt geen lesboekje aan te pas. Om jaloers op te worden.

Spreken is één ding, maar schrijven is nog iets anders. Ik verbeeld me dat ik me in geschrifte redelijk kan redden in het Engels, bij voorbeeld, maar over het algemeen kost het Nederlands me al moeite genoeg. Tegenover iemand die heeft geleerd om een tweede taal zodanig tot in de puntjes te beheersen dat hij zich in prachtig proza of poëzie kan uitdrukken, past respect en bescheidenheid. In de internationale editie van The New York Times (26, 27 april 2014) werd geschreven over een speciale categorie schrijvers die bekend zijn geworden door werk in een tweede taal. Aleksandar Hemon is een voorbeeld. Ik had tot voor kort nog nooit van hem gehoord. Hij is een oorlogsvluchteling uit Bosnië (Sarajevo) die in Chicago terechtkwam. Hij sprak elementair  Engels en moest zich de taal serieus eigen maken toen hij al bijna dertig was. Als schrijver van The Question of Bruno en The Lazarus Project wordt hij in de Verenigde Staten inmiddels beschouwd als de nieuwe Nabokov, die een duidelijk eigen stempel drukt op het Engels.

In het genoemde artikel wordt ook de Chinese auteur Ha Jin genoemd. Hij vluchtte na het drama op het Tiananmen Plein in 1989 naar de Verenigde Staten en won tien jaar later de National Book Award met zijn boek Waiting. Ik ken veel werk van Ha Jin, hij behoort tot mijn favoriete schrijvers: War Trash, The Bridegroom, Under the Red Flag en In the Pond zijn wat mij betreft kleine meesterwerkjes, niet in de laatste plaats vanwege de taal. Ik ben bijna net zo onder de indruk van Ma Jian, ook een geboren Chinees die op latere leeftijd in het Westen terechtkwam. The Noodle Maker, Beijing Coma en The Dark Road zijn indrukwekkende, politiek geëngageerde portretten van zijn geboorteland, in krachtig, literair Engels.

Het thema van de ‘tweede taal’ staat centraal bij de van oorsprong Italiaanse Francesca Marciano. In The Other Language, het titelverhaal van een nieuwe bundel korte verhalen, komt een Emma voor, die verliefd wordt op de Engelse taal, duidelijk op de schrijfster zélf geïnspireerd. In de krant zei Marciano: ‘Je ontdekt niet alleen nieuwe woorden, maar hele nieuwe kanten van jezelf als je een andere taal leert. Ik ben iemand anders geworden omdat ik viel voor het Engels, dat valt niet meer terug te draaien’.

Je zou denken dat dit verschijnsel van ‘creatieve tweede taalverwerving’ typerend is voor het tijdperk van de mondialisering, er zijn geen grenzen meer. Misschien. Toch zijn er diverse bekende voorbeelden van grensoverschrijding uit vroeger dagen. Boven werd Nabokov al genoemd — misschien geen zuiver voorbeeld. Hij werd in St. Petersburg geboren, zijn familie vluchtte naar Berlijn na de revolutie, maar het gezin was in feite drietalig (Russisch, Duits en Engels) en Nabokov was in zijn jeugd al vertrouwd met Engelstalige schrijvers. Desalniettemin: iemand die Engelstalige romans schrijft en tussendoor Russische kruiswoordpuzzels ontwerpt, mag wat mij betreft een talenwonder heten. Een ander voorbeeld is Józef Teodor Konrad Korzeniowski, later in zijn leven beter bekend als Joseph Conrad. Hij werd halverwege de negentiende eeuw geboren in het huidige Oekraïne, kwam terecht in Polen, Rusland, Frankrijk en uiteindelijk Engeland, waar hij zeeman werd op de Engelse koopvaardijvloot. Zijn verhalen over de zee, op latere leeftijd geschreven, werden bij toeval ontdekt en uitgegeven, maar vestigden zijn naam als belangrijk literator.

Ook buiten de literatuur is het verschijnsel bekend. Een van de grondleggers van mijn eigen vak, bij voorbeeld, was Bronislaw Malinowski, in 1884 te Krakau, Polen, geboren. Hij studeerde filosofie en scheikunde in Duitsland en kwam uiteindelijk terecht in de Britse antropologie. Hij deed in de jaren van de Eerste Wereldoorlog onderzoek onder de Trobrianders voor zijn baanbrekende, klassieke boek: The Argonauts of the Western Pacific. Geschreven in prachtig, stijlvol Engels — op basis van aantekeningen in het Pools. Wat voor speciaal talent ligt aan dit vermogen ten grondslag?

Je zou het graag willen weten, maar met eenvoudige verklaringen kom je niet ver, vrees ik. Een andere Pool die de wereld versteld heeft doen staan met zijn geschriften was schrijver/journalist Ryszard Kapušciñski. Reportages als The Emperor, Shah of Shahs, The Soccer War, Imperium zijn de hele wereld overgegaan en hebben de auteur geliefd en beroemd gemaakt. Toch bleef hij schrijven in zijn moedertaal, zijn reputatie berust op vertalingen. Het is maar één voorbeeld, uit velen. Waarom de één wel, de ander niet?