Eind vorige maand is een ravage aangericht in de befaamde Glasgow School of Art, het gebouw van Schotland’s lievelingsarchitect Charles Rennie Mackintosh. Oorzaak: brand in de bibliotheek. Meer dan tweehonderd brandweermannen zijn uren bezig geweest om de brand te blussen, maar bijna de helft van het gebouw is verwoest. De kunstacademie werd begin twintigste eeuw gebouwd en geldt onder kenners als een van de fraaiste voorbeelden van art nouveau, de Britse variant van Jugendstil. Iedereen die ooit in Glasgow is geweest, kent de schepping van Mackintosh, die overigens waarschijnlijk beter bekend is door zijn meubels – in het bijzonder de stoelen met de hoge, versierde rugleuningen – en glas-in-lood ramen dan door zijn gebouwen. Het gaat bij zijn ontwerpen voor het binnenhuis om ‘gezonken cultuurgoed’, zo’n beetje als de zonnebloemen van Van Gogh die je op iedere koektrommel terugziet – toeristen worden ermee doodgegooid. Aan architectuur heeft hij minder nagelaten. Particuliere opdrachtgevers waren een beetje beducht voor hem, want vóór je het wist had hij alles vormgegeven – het huis, maar ook de gedetailleerde inrichting van alle vertrekken, tot en met de schilderijen die aan de wand moesten hangen. Soms smeekten de eigenaren hem om tenminste één enkele kamer ‘vrij’ te laten, zodat ze hun ‘eigen’ spulletjes nog kwijt konden.

 

Eind jaren 1990 heb ik – voor onderzoek – een tijd in Glasgow gewoond en bezocht ik zo’n beetje alles wat er van Mackintosh te bezichtigen was, maar het meest was ik onder de indruk van zijn scholen – een grote openbare lagere school en de onfortuinlijke kunstacademie. Het stadsarchief, waar ik veel zat te werken, is vlakbij en tijdens de lunchuren of op het eind van de middag stapte ik graag even binnen – het was er altijd druk: studenten liepen af en aan, in de lokalen werd les gegeven of stonden modellen te poseren. De bibliotheek was een wonder van schoonheid (net als de bestuurskamer, trouwens) en het doet pijn te weten dat juist dit deel van het complex in de as is gelegd. Toch was ik altijd meer gecharmeerd van een andere architect in Glasgow, een voorganger van Mackintosh, maar bij lange na niet zo beroemd en geliefd: Alexander Thomson (1817 – 1875). Mackintosh maakte op zichzelf staande kunstwerken, die ook ergens anders hadden kunnen staan, Thomson’s architectuur was innig verknoopt met de stad – ik denk dat dit, afgezien van stijl en oriëntatie, het grootste verschil is tussen beide bouwmeesters.

Thomson is het zeventiende kind uit een gezin met twintig kinderen – kom daar eens om in onze dagen! De Thomsons trekken in 1824 naar Glasgow en Alexander komt in zijn tienerjaren, zonder enige formele scholing, te werken voor een advocatenkantoor. Toevallig ontdekt iemand dat de jongeman in zijn vrije uurtjes interessante schetsen maakt. Hij wordt weggekocht door een architect, zijn loopbaan begint. Door nijvere zelfstudie verdiept hij zich in de classical styles en dat levert hem zijn bijnaam op: Greek. Een van zijn broers, die ook in de architectuur terechtkomt, gaat door het leven als Poorhouse Thomson: de naam als uitdrukking van het werk. Over Greek Thomson is weinig bewaard gebleven, maar het schijnt dat hij tijdens zijn leven zelden of nooit buiten Glasgow is geweest – al zijn kennis en inspiratie over het vak haalde hij uit boeken. Dit in tegenstelling tot een aantal van zijn bekendere tijdgenoten die uitvoerige studiereizen maakten naar Griekenland en Italië.

 

Greek Thomson leefde in de tijd dat Glasgow – als ‘tweede stad’ van het Verenigd Koninkrijk – ingrijpende transformaties onderging. De stad ontwikkelde zich tot een vooraanstaand industrieel centrum waar grote schepen en zware scheepsmachines werden gemaakt; hier kwamen ook de enorme stoomlocomotieven vandaan die overal in de wereld het symbool zouden worden van het nieuwe transportsysteem, de spoorwegen. Sommige van die kolossen rijden nog steeds in Afrika en India. In de stad werd een ondergrondse aangelegd, vér voor de metro van Parijs. Bovengronds had de stad een uitgebreid, hypermodern stelsel van electrische trams. Naast de oude, overvolle Middeleeuwse stad verrees een New Town, gekenmerkt door ruimte, licht en lucht: een schaakbordpatroon van rechte, brede straten, afgewisseld met ruime pleinen. Op die stad heeft Thomson zijn stempel gedrukt; langs de nieuwe straten moesten strakke gevelwanden komen van huizen en gebouwen van vier verdiepingen hoog. Haussmann zou later in Parijs soortgelijke eisen stellen voor zijn boulevards, Berlage voor ‘Plan Zuid’. Afwisseling werd gerealiseerd door markante nutsgebouwen: de accenten in het bruisende, grootstedelijke ritme. Hij bouwde diverse warenhuizen (Egyptian Halls) en in St Vincent Street is nog steeds de kerk te bewonderen die hij in 1859 ontwierp voor de United Presbyterian Church of Scotland – een van de fraaiste kerken die ik ken, misschien omdat het gebouw zo weinig op een kerk lijkt.

 

Hij ontwierp ook zijn eigen versie van de traditionele Schotse tenements: burgerlijke rijtjeshuizen. In één van die huizen – aan Moray Place – woonde hij zelf; het is een stukje van de stad waaraan ik mijn hart definitief heb verpand. Symmetrie, strakke gevelwand, maar met liefdevolle en subtiele versieringen in de (‘Griekse’) pilaren en daklijsten. Voor de wederopbouw van het platgegooide, verloederde deel van de oude stad ontwierp hij blokken van arbeidershuizen – zijn afmetingen hebben nog decennia lang als standaard gegolden. Wat hij nooit van de grond kreeg was de constructie van overdekte straten: hij vond dat ook arbeiderskinderen op straat moesten kunnen spelen en ter bescherming tegen de eeuwige Schotse regenbuien had hij die overkappingen verzonnen – hij werd er helaas om uitgelachen. Aan de andere kant van het sociale spectrum zette hij ook een paar adembenemend mooie villa’s neer met voor zijn tijd hypermoderne voorzieningen op het gebied van watervoorziening, luchtcirculatie en verwarming.

 

Het allermooiste van alles is de lange, golvende gevelwand aan Great Western Road – ruime huizen, in Meditterane tinten, compleet met traditionele closes, vlakbij het complex van Glasgow University en tegenover de ontroerende botanische tuinen met hun bouwwerken van glas en gietijzer. De dichter John Betjeman, groot kenner van de Britse architectuur, heeft ooit met diep ontzag uitgesproken dat Glasgow de mooiste Victoriaanse stad van het Verenigde Koninkrijk is. Hij had Great Western Road in gedachten. Greek Thomson leeft voort, zijn persoon bescheiden op de achtergrond, maar toch onmiskenbaar aanwezig. Zijn werk spreekt luid en duidelijk.